Biografiën van belangrijke Rotterdammers |
|
Riek Bakker (1944-) Stedenbouwkundige. Geboren in Amsterdam en opgegroeid in Meppel. Bakker is opgeleid als Tuin- en Landschapsarchitecte en starte in 1976 met een vriendin het adviesbureau Bakker en Bleeker. Via een
opdracht voor o.a. het ontwerp voor het Wollenfoppenpark in Zevenkamp kwam
zij in contact met de gemeente Rotterdam. In 1985 werd Bakker gevraagd om
directeur Stadsontwikkeling te worden in Rotterdam. Na enige aarzeling
aanvaarde zij de benoeming. Haar opdracht was om meer samenhang te brengen
in de stad Rotterdam. De gemeente wilde meer aantrekkelijke woonruimte voor
de middenklasse, nieuwe en andere bedrijvigheid aantrekken en het culturele
klimaat verbeteren en verstevigen. Allemaal zaken waaraan het midden jaren
tachtig aan ontbrak. Riek Bakker zag vrij snel dat Rotterdam met de rug naar
de rivier stond en zag in de verlaten havengebieden op Rotterdam Zuid de
locatie bij uitstek om de doelstellingen van de gemeente te realiseren. Met
veel energie en overtuigingskracht begon zij aan het ontwerp en ontwikkeling
van de Kop van Zuid. Riek Bakker streefde naar grootse gebaren en
grootstedelijke kwaliteit. Hiervoor kreeg ze in de politiek, het
bedrijfsleven en bewoners niet meteen de handen op elkaar. Ook binnen de
eigen dienst moesten de neuzen in dezelfde richting gebracht worden. Met
haar doorzettingsvermogen en overredingskracht lukte dat. Speerpunt was de
herontwikkeling van het oude en verlaten hoofdkantoor van de Holland Amerika
Lijn in het Hotel New York. Deze ontwikkeling werd gevolgd door woningbouw
in de Stadstuinen, het Entrepotgebied, de Landtong en de Wilhelminapier.
Stedelijke voorzieningen als het Luxor theater en de rechtbank werden op de
Kop van Zuid gehuisvest. Hoogbouw was onder Riek Bakker niet alleen
oplossing voor kantoren, maar juist ook voor woningen. Onder haar regie
schoot de ene na de andere woontoren de lucht in. Het centrumplan van 1985 werkte ze verder uit en ze hield zich ook bezig met de Noordrand van de stad bij Zestienhoven. De nadruk van haar werk lag echter op de Kop van Zuid, die in haar visie moest worden verbonden met het bestaande centrum door een beeldbepalende brug. Nadat de dienst gemeentewerken met een traditioneel ontwerp was gekomen met vier pijlers, kwam Riek Bakker met een innovatief en opvallend ontwerp van de architet Ben van Berkel. Ze wist het stadsbestuur te overtuigen van de meerwaarde van een opvallende brug. De extra benodigde financiële middelen werden bij de minister van Verkeer en Waterstaat losgepraat. In 1993 neemt Bakker afscheid van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en start zij in Rotterdam een eigen adviesbureau voor stedelijke planning BVR (Bureau van Riek) genaamd. Vanaf 2007 werkt zij als adviseur onder de naam Riek Bakker Advies. In haar visie was Rotterdam bij haar afscheid nog niet af: "we zijn halverwege, maar wel op de goede weg". |
|
Pierre Bayle (1647-1706) Filosoof. Bayle werd als zoon van een Franse calvinistische predikant geboren in Carla-le-Comte in Ariège in het Zuidwesten van Frankrijk. Na een academie in Puylaurens bezocht te hebben ging hij verder studeren aan een Jezuiten college in Toulouse, waarvoor hij zich in 1669 bekeerde tot het katholicisme. Na 17 maanden had hij er genoeg van en keerde terug naar het Calvinisme en nam de wijk naar Genève. Hij kwam daar in aanraking met het werk van René Descartes. In 1675 werd hij benoemd tot hoogleraar filosofie
aan de protestantse academie van Sédan in Lotharingen. In 1681 werd de
academie door koning Lodewijk XIV gesloten, waarna Bayle, door bemiddeling door de
Rotterdamse regent Adriaen Paets sr naar Rotterdam emigreerde. Het
Rotterdamse stadsbestuur, de Vroedschap had hem uitgenodigd te komen met het
verzoek 'sigh herwaerts in deze stad te transporteeren en te laten
gebruijken tot onderwijsinge vande jeugt, soo in particuliere, als in
publiece lessen'. Hij werd benoemd tot hoogleraar filosofie en geschiedenis
aan de Illustre School van Rotterdam. Deze school was een tussenopleiding
voor leerlingen van de Latijnse School, die later een universitaire studie
wilden gaan volgen, vooral in Leiden. Bayle kreeg het magere tractement van
315 gulden per jaar. Later werd dit verhoogd tot 500 gulden. Zonder
ondersteuning van zijn beschermheer Paets en privé lessen zou hijn niet
kunnen rondkomen. Onder het professoraat van Bayle beleefde de school
een enorme en later niet meer vertoonde bloei. In 1684 begon Bayle te
schrijven aan zijn meesterwerk Dictionaire Historique et Critique.
Dit was een encyclopedisch opgezet overzicht van de filosofie, theologie en
wetenschap. In 1697 verscheen de eerste druk in Rotterdam. Het sloeg enorm
aan in Europa en met name Frankrijk. De 18e eeuwse filosofen Voltaire en
Diderot geven Bayle de eer als voorbeeld voor hun denken en werken. De
Amerikaanse president Thomas Jefferson noemde de Dictionaire één de
belangrijkste werken in de Library of Congress. Eveneens in 1684 begon Bayle
met de redactie van het tijdschrift Nouvelles de la République des
Lettres, een wetenschappelijk en literair maandblad dat hem binnen en
buiten de Nederlandse Republiek zijn naam zou vestigen als de Philosophe
de Rotterdam. Zijn pleidooien voor religieuze tolerantie, secularisme
en zin afkeer van gereformeerd obscurantisme en dogmatisme brachten hem in
conflict met zijn collega en oude vriend de theoloog Pierre Jurieu. Deze
beschuldigde hem van atheïsme en verraad. Op voorspraak van Jurieu werd
Bayle in 1693 door de Vroedschap als hoogleraar ontslagen. Dat Bayle in
Rotterdam mocht blijven wonen en publiceren kan worden uitgelegd dat het
stadsbestuur zich niet al te veel wilde mengen in godsdienstige zaken. Men
was met het ontslag de orthodoxen in de stad al ver genoeg tegemoet gekomen. In
dit klimaat met Bayle als lichtend voorbeeld kreeg Rotterdam een
aantrekkende werking op andere Europese denkers en schrijvers. Bayle
verkeerde met de Engelse zakenman Benjamin Furly, die zijn huis aan de
Scheepmakershaven openstelde als debating lounge voor mensen als de Engelse
filosoof John Locke, die hier van 1686 tot 1689 verbleef. Honderd jaar later
zou de Amerikaanse grondwet putten uit de denkbeelden van deze Engelsman.
Andere namen waren Halyburton (Schotland), graaf Shaftesbury (Engeland),
Pilippus van Limborch (Amsterdam) en de Zwitsers Crouza en Le Clerc.
Bayle overleed in 1706 in Rotterdam waar hij in de Waalse kerk werd begraven. Na de sloop van die kerk werden zijn resten overgebracht naar de begraafplaats in Crooswijk. |
|
Schrijfster. Pseudoniem voor Johanna Petronella Vrugt.
Blaman wordt geboren in Kralingen (Vredenoordplein). Haar vader overlijdt in
1916, waarna haar moeder een kosthuis begint in Middelland. Ze volgt een
opleiding tot lerares Frans, maar werkt later als administratief medewerker
bij de gemeente. Ze blijft haar hele leven, mede vanwege een zwakke
gezondheid bij haar moeder wonen. In 1941 debuteert zij met
Daniel George van Beuningen (1877-1955) Industrieel, financier en kunstverzamelaar. Van
Beuningen werd geboren uit een familie die in de achttiende en negentiende eeuw Jonker Frans van Brederode ((1465-1490) Nadat van graaf Willem IV van Holland uit het huis van
Avesne, was gesneuveld in 1345 in de strijd met de Friezen werd hij opgevolgd
door zijn zuster Margaretha van Beieren. Haar zoon Willem V was de Deze van oorsprong Zeeuwse waterbouwkundige zorgde er voor
dat Rotterdam een toekomstvaste
Kees van Dongen (1877-1968) Van Dongen werd aan de Voorhaven in Delfshaven geboren,
waar zijn vader een mouterij had. Hij deed een avondstudie aan de
Rotterdamse Academie voor Kunsten en Technische Wetenschappen (nu Hogeschool
Rotterdam). In 1897 ging het voor het eerst naar
In 1907 keerde hij voor korte tijd terug naar Rotterdam om
zich te herbronnen aan de Hollandse schidertradities van met name de Gouden
Eeuw en zijn grote voorbeeld Rembrandt van Rijn. In die periode maakt hij
een aantal werken in een nieuwe stijl, waarmee hij internationaal zou
doorbreken. Terug in Parijs werd hij met name in de jaren '20 een
belangrijke figuur in de Parijse society wereld, waar hij een welgestelde
clientèle om zich verzamelde, die hij in zijn typische stijl portreteerde.
Onder hen Tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk liet hij zich door de Duitse beelhouwer Breker uitnodigen voor een kunstreis naar Duitsland. Dit kwam hem later op verwijten van collaboratie te staan. In 1949 hield museum Boijmans een overzichtstentoonstelling van zijn werk, waarbij de kunstenaar zelf aanwezig was. Er ontstond een rel toen het gemeentebestuur op aandringen van een raadslid een aantal "aanstootgevende" naakten liet verwijderen. In 1968 waren deze werken bij een tweede tentoonstelling geen probleem meer, maar Van Dongen was niet meer in staat te komen. Hij overleed in hetzelfde jaar in Monaco, waar hij sinds 1957 was gaan wonen.
Desiderius Erasmus Roterodamus (1469-1536) Deze humanist is in Rotterdam geboren uit een
onwettige verbintenis tussen een priester en een zekere Margaretha. Hij werd in Fortuyn werd geboren als derde van zes kinderen
in een Katholiek gezin in Driehuis bij Haarlem. Na zijn middelbare school in
Haarlem studeerde hij sociologie aan de Universiteit van Amsterdam en de
Vrije Universiteit. Tijdens zijn studie was hij actief in de Studentenvakbond
SRVU en leidde de bezetting van de universiteit in 1972. In hetzelfde jaar
verhuist hij naar Groningen waar hij wetenschappelijk medewerker wordt. Hij
doceert Marxistische sociologie en werkt aan een dissertatie. Na sympathieen
voor Hoewel zijn partij drie dagen later een forse verkiezingszege boekt en aan de regering gaat deelnemen, gaat de beweging al snel ten onder aan interne twisten. Leefbaar Rotterdam houdt beter stand, ook al verliest de partij in 2006 een aantal zetels en belandt het buiten het college van B&W. Dirk Hannema (1895-1984) Museumdirecteur. Hannema studeerde rechten en
kunstgeschiedenis in Leiden, maar maakte geen van beide studies af. In
plaats daarvan kwam hij als assistent van de directeur in dienst bij museum
Boijmans in Rotterdam. Toen die directeur, Schmidt Degener Tot de belangrijkste vondsten, cq aanwinsten van Hannema worden De Verloren Zoon van Jeroen Bosch en Titus van Rembrandt gerekend. In 1935 verhuisde het museum van het Schielandhuis naar het nieuwe als museum gebouwde gebouw aan de Mathenesserlaan (nu Museumpark). Het gebouw is speciaal voor de collectie van het museum gebouwd. Hannema speelde een belanrijke rol bij het ontwerp. Tijdens de oorlog staat Hannema sympathiek
tegenover de nieuwe Duitse orde en gaat op in de door de Duitsers georganiseerde
cultuurinstellingen. Hij wordt bestuurslid van de Nederlandsche Cultuurkring,
die op instigatie van Een kwestie die de reputatie van Hannema als kunstkenner schade deed oplopen en ook met de bezetting te maken had was de zaak rond het schilderij de "Emmausgangers". Het schilderij was Hannema via via aangeboden door de kunstschilder Han Van Meegeren. Hannema, hierin gesteund door andere kunstkenners herkende in het schilderij een tot dan toe onbekend werk van Vermeer. Van Meegeren verkocht in de oorlog ook nog een "Vermeer" aan Reichsmarschall Goering. Hiervoor werd Van Meegeren in 1945 gearresteerd. Om zijn hachje te redden bekende hij het aan Goering verkochte schilderij zelf gemaakt te hebben net als een paar andere, waaronder de Emmausgangers. Om zijn verhaal te bewijzen maakte hij in gevangenschap nog een "Vermeer". Uiteindelijk werd Van Meegeren tot 1 jaar gevangenis veroordeeld. Hij overleed kort na zijn veroordeling. Hannema is altijd in het echtheid van de Emmausgangers blijven geloven. Volgens hem was Van Meegeren niet in staat een dergelijk schilderij te maken. Later ging hij nog een stapje verder en "ontdekte" nog zes onbekende "Vermeers". Hij werd echter door niemand meer geloofd.
Arie Wouter Heykoop (1883-1930) Heykoop, geboren in de gemeente Charlois, is van 1909 tot 1929 lid van de gemeenteraad voor
de SDAP. Hij was ook actief als propagandist en bestuurders in de vakbond voor
havenwerkers. Hij was medewerker van SDAP Van 1919 tot 1929 was hij wethouder voor Volkshuisvesting. Onder zijn bestuur begint de gemeente actief de bouw van betaalbare en kwaltatief verantwoorde woningen voor de lagerbetaalden te stimuleren. Hij bond de strijd aan met de zogenoemde alkoofwoningen. Een alkoof is een tussenkamer zonder naar buiten openende ramen. Door Heijkoop werd deze bouwvorm als schadelijk voor de gezondheid beschouwd. Ze werd veel toegepast in arbeiderswoningen, die om op grondkosten te besparen rug-aan-rug tegen elkaar werden aangebouwd. Voorbeelden van woningen die op initiiatief van Heykoop zijn gebouwd zijn met name te vinden in Bloemhof en Hillesluis waar enkele beton experimenten werden uitgevoerd. De betonwoningen werden gekscherend de "kubussen van Heykoop" genoemd. In 1929 overleed Heykoop aan de gevolgen van longemfyseem.
Antony van Hoboken 1756-1850 Reder en Koopman. Van Hoboken werd in een groot arm
gereformeerd gezin geboren, dat in een kleine woning aan de Grote Markt
woonde. Hij ging op jonge leeftijd aan de slag als pakhuisknecht aan de
Wijnhaven. Daar komt hij in contact met de wereld van handel en scheepvaart.
In 1774 begint hij op 18 jarige leeftijd een handel in boter en kaas. Dat
ging hem goed af, want in 1786 kon hij zich al een pakhuis met woning aan de
Wijnhaven veroorloven. Enige tijd later kan hij in 1788 de handelsfirma van
zijn zakenrelatie Hesselaar overnemen, waardoor hij goede handelscontacten
in Nederlands-Indië krijgt. Eind 18e eeuw gaat het Op initiatief van Koning Willem I wordt in 1824 de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) opgericht - een voorloper van de ABNAMRO bank. Deze maatschappij krijgt het handelsmonopolie op Indië, maar is verplicht van Nederlandse reders gebruik te maken. Van Hoboken is net als de koning zelf, betrokken als aandeelhouder en verdient dus dubbel aan de activiteiten. In 1841 heeft Van Hobekon 22 schepen in de vaart en was daarmee de grootste in Nederland. Koning Willem I bewonderd de initiatiefrijke Van Hoboken en verleent hem een ridderorde. De koning schijnt verzucht te hebben: "als niet koning Willem was geweest, was ik graag van Hoboken geworden". Van Hoboken negeerde de opkomst van het stoomschip. Hij geloofde er niet in. Hij verdiende veel geld met de zeilschepen en dat geld stak hij in landgoederen en huizen. In 1830 verwierf hij de heerlijkheid van Rhoon en Pendrecht en het daarbij behorende Kasteel van Rhoon. In 1842 voegde hij daar de heerlijkheid van Cortgene op Noord-Beveland aan toe. In Rotterdam was hij eigenaar geworden van een 65 ha groot stuk land ten westen van de stad. Dit landgoed dat begrensd werd door de Nieuwe Binnenweg, De Coolhaven en de Westzeedijk stond daarna bekend als het land van Hoboken. Zijn zoon Jacobus liet hier in 1852 de Villa Dijkzigt bouwen (nu Natuurhistorisch Museum). Het landgoed bleef tot 1924 familiebezit en een landelijke, groene oase in de stad. In 1832 kwamen zijn drie zonen in de firma. Ook zij zagen niets in stoomschepen. Hierdoor verloor de rederij steeds meer terrein. Eind 19e eeuw werd de rederij Van Hoboken beëindigd en legden de erven Van Hoboken zich toe op de handel met m.n. Indië. Deze handel werd tot ver in de 20e eeuw succesvol voortgetzet. Van Hoboken ligt begraven in de familiekelder op het kerkhof van Hillegersberg.
Gerrit Jan de Jongh (1845-1917) De Jongh werd in 1879, na een militaire carière, directeur gemeentewerken. In tegenstelling tot
zijn voorganger
Op aandringen van de Jong werd de Coolpolder van de buurgemeente Delfshaven geannexeerd, zodat de stad in westelijke richting kon uitbreiden met woonwijken (Middelland, Nieuwe Westen), een haven (Coolhaven) en havensporen. Delen van Hillegersberg en Overschie werden geannexeerd voor de aanleg van de Ceintuurbaan (spoorweg naar Utrecht). Op de Zuidoever hiedlden Katendrecht en Charlois op te bestaan als zelfstandige gemeenten, omdat ze nodig waren voor havenuitbreidingen De Jongh speelde in op de ontwikkelingen in goederenstromen. Het industrieel belang van het Ruhrgebied nam toe, evenals de stoomscheepvaart. De Jongh besefte dat voor de nieuwe transitofunctie van Rotterdam en de groter wordende diepgang van schepen snel nieuwe havens moesten worden aangelegd. Na de Rijnhaven en de Parkhaven in 1894, volgden de Katendrechtse havens zoals de Maashaven in 1911. De kroon op De Jongh’s werk was de Waalhaven, die pas na de tweede wereldoorlog volledig in gebruik is genomen. De Jongh’s woningbouwprojecten op Zuid en in Noord (Oude Noorden) zijn minder gelukkig te noemen. De bagger, die omhoog kwam bij de aanleg van de havens werd gebruikt voor de aanleg van het Kralingse Bos en de Parkheuvel bij het park. In 1910 ging De Jongh met pensioen en was nog enige jaren lid van de Tweede Kamer en de Provinciale Staten. In het museumpark is een groots monument opgericht, die het werk en de betekenis van De Jong voor de stad benadrukt. Cees van der Leeuw (1890-1973) Van der Leeuw was een telg uit een familie van
industriëlen, die het eigendom hadden verworven van de koffie, thee en
tabakfabriek Erven de Wed. Van Nelle in Rotterdam. Van der Leeuw volgde en
commerciële opleiding en trad in 1913 in dienst van het bedrijf. In 1917 In 1931 sloeg Van der Leeuw een andere richting in. Hij ging psychiatrie studeren in Wenen bij Sigmund Freud en Alfred Adler. Na zijn promotie keerde Van der Leeuw in 1939 terug naar Nederland vanwege de oorlogsdreiging en de gevolgen van de inlijving van Oostenrijk door Nazi-Duitsland. Hij stelde bij de fabriek orde op zaken na het overlijden van zijn broer en trad in dienst bij het psychiatrisch ziekenhuis Maasoord in Poortugaal (nu Delta). Kort daarna nam hij weer de leiding op zich van de fabriek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde Van der Leeuw de discussies in de Club van Rotterdam, een gezelschap van Rotterdamse zakenlieden, over de wederopbouw. Van der Leeuw stond, in tegenstelling tot stadsarchitect Witteveen, een nieuwe functionalistisch opgebouwde stad voor ogen met veel ruimte voor modernistische architectuur. Op aandringen van Van der Leeuw kreeg hij van Gevolgmachtigde Ringers een rol in de wederopbouworganisatie. Witteveen stapte op en maakte de weg vrij voor een onder auspiciën van Van der Leeuw uitgewerkt Basisplan voor de wederopbouw van de hand van Witteveen's opvolger Van Traa. In de architectonische uitwerking kregen de modernistische architecten veel ruimte.
Karel Paul (K.P.) van de Mandele (1880-1975) Bankier en filantroop. Van de Mandele was de
enige zoon van een Delftse bankier, die in 1901 failliet ging. De student KP
werd door zijn oom Antoine Plate, oprichter van de Holland Amerikalijn in huis
opgenomen en geholpen bij een start in zijn loopbaan. De bankierszoon trad 1906 in dienst bij de
Rotterdamsche Bank, later bekend als de Rotterdamsche Bankvereniging, als Als bankier en voorzitter van de KvK en de stichting Volkskracht is hij betrokken bij de bouw van het Museum Boymans, de Maastunnel, het Stadion Feijenoord, het behoud van de Holland-Amerika Lijn en de bouw van de 'Nieuw Amsterdam', de Beurs van Koophandel, de verhuizing van de Diergaarde naar Blijdorp en het Havenziekenhuis. Meteen na het bombardement van 14 mei 1940 zet hij zich in voor de wederopbouw van de stad en roept een aantal notabelen, waaronder burgemeester Oud bij elkaar. Even later krijgt stadsbouwmeester Witteveen de opdracht tot het maken van een plan voor de wederopbouw. Ook na de oorlog blijft hij zich inzetten voor het herstel van de stad en de haven en de economische ontwikkeling van de regio. Sommigen verklaren zijn tomeloze inzet voor het welzijn voor de stad, vanuit een schuldgevoel voor het faillisement van zijn vader's bank en zien het als een afbetaling van een schuld aan de samenleving. Coen Moulijn (1937-2011) Geboren en opgegroeid in het Oude Noorden, debuteerde
Moulijn op 17-jarige leeftijd als linksbinnen bij Xerxes. Na een seizoen
werd hij weggeplukt door Feijenoord, dat de snelle, maar kleine speler
overnam voo Moulijn was een speler waarvoor mensen naar het stadion kwamen. Zo sterk was de band tussen hem en toch al hondstrouwe Feijenoord aanhang, dat beweerd werd dat als Moulijn op de middenstip zou gaan klaverjassen het stadion ook vol zou zitten. Zijn werklust, creativiteit, clubtrouw en bescheidenheid sprak velen aan. In 2009 werd op het stadionplein een standbeeld voor hem onthuld. Al tijdens zijn actieve spelersloopbaan had Moulijn een modewinkel in de wijk Zuidwijk in Rotterdam. Hij overleed op 1 januari 2011 ten gevolge van een herseninfarct. Op 8 januari werd zijn rouwstoet door de stad gereden en konden de Rotterdammers voor het stadhuis afscheid van hem nemen. Johan van Oldenbarneldt (1547-1619) Van Oldenbarneveldt was in Amersfoort geboren
uit een regentenfamilie met een Ridderachtergrond. Hij was van 1576 tot 1586
raadspensionaris van Rotterdam (een soort gemeentesecretaris of stadsjurist).
Onder zijn leiding werd de aanzet gegeven tot de eerste Na de moord op Willem van Oranje nam Van Oldenbarnevelt de leiding in de afwikkeling van zijn overlijden en het opvullen van een dreigend machtsvacuüm. In die functie nam hij initiatieven tot oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie en wist Rotterdam op zeer gunstige voorwaarden die compagnie in te loodsen. Van Oldenbarneveldt speelde vervolgens een belangrijke rol in de binnen- en buitenlandse politiek van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij wist prins Maurits naar voren te schuiven als stadhouder en tegenwicht te bieden tegen de Hertog van Leicester, die door de Engelse koningin naar de opstandige provincies was gestuurd om ze tegen de Spanjaarden te helpen. Leicester werd door de provincies tot landvoogd benoemd en wilde prompt het gezag centraliseren. Van Oldenbarneveldt met zijn regentenachterban wist dit te voorkomen. Van Oldenbarneveldt’s belangrijkste succes was het sluiten van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Daarmee verzwakte hij de positie van Stadhouder Maurits, die zijn status juist aan de oorlog ontleende. Van Oldenbarneveldt was wel overtuigd dat de Republiek enig centraal gezag behoefde, maar was wars van het idee om dat gezag bij één persoon te leggen en al helemaal niet aan een dynastie toe te vertrouwen. Dat bracht hem tegenover Maurits. Hun vijandigheid vond zijn einde in een religieus conflict waarin Maurits en Van Oldenbarneveldt tegengestelde standpunten innamen. Het ging daarbij om een verschil van mening over het begrip predestinatie of voorbestemming. Een groep onder leiding van de Leidse theoloog Arminius stelde dat geloof een noodzakelijke (doch niet voldoende) voorwaarde was voor God's genade. Dit week af van het traditionele Calvinistische standpunt dat God bij voorbaat al had bepaald wie genade zou ontvangen en wie voor eeuwig verdoemd zou zijn. Geloof was daarbij slecht de aanvaarding van dat oordeel. Mensen waren dus voorbestemd en hadden daar geen invloed op. Gomarus kwam in verzet tegen de gedachten van Arminius. Deze richtingen strijd kreeg een politieke dimensie toen Van Oldenbarnevelt sympathie liet blijken voor het standpunt dat er verscheidenheid van inzicht mogelijk moest zijn binnen de Gereformeerde kerk. Hij deed dat zonder partij te kiezen voor het inhoudelijke standpunt van Arminius of tegen dat van Gomarus. Prins Maurits daarentegen stelde zich - als het ware van de weeromstuit - achter het standunt dat de kerk puur Calvinistisch moest zijn. Zo begonnen de politieke en religieuze tegenstellingen in de republiek samen te vallen - en er volgde een escalatie. Maurits liet Van Oldenbarneveldt arresteren, zette de staten van Holland buitenspel. Van Oldenbarneveldt werd door een speciale rechtbank ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd wegens hoogverraad. Deze tegenstelling tussen het huis van Oranje (gesteund door een deel van het volk en predikanten) en de republikeinse regenten/bestuurders bleef als een rode draad lopen door de geschiedenis van de republiek. Na de verdrijving van de Fransen in 1813 en de vestiging van een koninkrijk in 1815 was er voor regenten in de traditie van Van Oldenbarnevelt weinig ruimte in het beeld dat men van de geschiedenis had. Het duurde daarom tot 1922 tot er een standbeeld voor deze staatsman werd opgericht. Zelfs toen leidde dat in de gemeenteraad tot hevig debat, bang als men was het huis van Oranje - inmiddels het koningshuis - voor het hoofd te stoten. Uiteindelijk zette oud-wethouder Muller door en schonk uit eigen middelen een standbeeld, dat nu tegen de gevel van het stadshuis staat, recht onder de burgemeesterskamer.
Pieter Jacobus Oud (1886-1968) Deze in Purmerend geboren politicus en
parlementair geschiedschrijver was burgemeester van Rotterdam van 1938 tot 1941
en van 1945 tot In 1938 werd Oud burgemeester en maakte in die functie het bombardement en de daaropvolgende bezetting mee. Hij bleef burgemeester tot 1941 toen hij zich niet langer in die functie kon vinden door de Duitse druk. In 1945 trad hij weer aan. In 1946 treedt hij met zijn volgelingen toe tot de Partij van de Arbeid. Uit onvrede met het Nederlands Oostindië-beleid en het sociaal-economische beleid van die partij richt Oud samen met Stikker, de oprichter van de Partij van de Vrijheid, de VVD op. Tot 1963 is hij voorzitter van die partij. Daarnaast is hij van 1948 tot 1963 lid van de Tweede Kamer. Van 1952 tot 1957 was Oud buitengewoon hoogleraar aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam. Peper studeert sociologie in Amsterdam. Hij
promoveert in 1972 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij sinds 1966
als wetenschappelijk medewerker in dienst was. In 1971 wordt hij lector en in
1977 hoogleraar sociaal-economisch beleid. Van 1972 tot 1983 was hij lid van het
partijbestuur van de PvdA. Van 1980-1982 is ook kroonlid van de SER. In 1982
wordt Peper burgemeester van Rotterdam. Tijdens zijn burgemeesterschap wordt de
wederopbouw van de stad afgerond met gedurfde hoogbouw architectuur in het
centrum van de stad. Ook de stadsvernieuwing in de oude wijken wordt voortgezet.
Peper’s betrokkenheid bij de festiviteiten rond het 650-jarig bestaan van
Rotterdam zijn minder geslaagd. Slechts zeer weinig activiteiten k Peper begint zijn loopbaan als burgemeester als een nogal academisch denkende, stugge bestuurder, maar in de loop der jaren wordt zijn betrokkenheid bij de stad en zijn populariteit groter. Zijn verhouding met het college van B&W wordt daarentegen steeds problematischer. Ook klinkt steeds vaker kritiek op zijn bestuursstijl. Onderwijl ontwikkelt Peper zich als deskundige op het terrein van het Openbaar Bestuur. In 1998 wordt hij minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Vanwege onduidelijkheden over zijn declaratiegedrag gedurende zijn burgemeesterschap treedt hij in maart 2000 af. De gemeentelijke Commissie tot Onderzoek van de Rekening, die de affaire onderzoekt velt een vernietigend oordeel over Peper's declaratiegedrag. Peper laat het er niet bij zitten en gaat in de tegenaanval. De accountants van KPMG die het onderzoek van de COR uitvoerden worden in 2001 voor de tuchtraad voor de accountancy gesleept en Peper krijgt gelijk: het onderzoek is niet onbevooroordeeld. Eerder had het Openbaar Ministerie een vooronderzoek tegen Peper geseponeerd. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven oordeelt een jaar later dat de gerapporteerde feiten voor een deel onjuist zijn geweest. Daarmee is de lucht tussen gemeente en Peper niet geklaard. De gemeente houdt een aanspraak op 64.000 gulden voor gedeclareerde privé-uitgaven overeind. Op initiatief van burgemeester Opstelten kwam er in 2008 een verzoening tot stand tussen Peper - die inmiddels weer in de stad woont - en de gemeente. Op 24 november van dat jaar werd Peper's geschilderd portret in het stadhuis onthuld.
Pincoffs was een Rotterdamse zakenman,
gemeenteraadslid, reder en bankier. Hij was betrokken als
In 1863 besloot de Gemeenteraad tot aanleg van havens op het eiland Feijenoord. In 1872 richtte Pincoffs, met Duits en Belgisch kapitaal, een maatschappij met het doel de nieuwe terreinen te gaan in te richten en te exploiteren in ruil voor het eigendom van het gebied. Hij deed dit op een moment dat de plannen voor de Willemsbrug, die Feijenoord moesten ontsluiten in een impasse dreigden te raken. Deze maatschappij Rotterdamsche Handelsvereniging kreeg in datzelfde jaar de concessie van de gemeente toegewezen. De RHV had grote ambities. Daarnaast was Pincoffs ook voorzitter van de Afrikaanse Handelsvereniging. Intussen ging het met de AHV niet goed. Ze leed in de handel op Afrika grote verliezen. Pincoffs ontrok kapitaal aan de RHV om de AHV in leven te houden, tot die zichzelf kon bedruipen. Dat laatste gebeurde niet, schulden werden op schulden gestapeld. Toen zijn vriend en compagnon Marten Mees na het gebleken bedrog weigerde te helpen ging de RHV in 1879 failliet. Pincoffs verliet spoorslags het land en emigreerde naar Amerika, een financieel gat van 8 miljoen gulden achterlatend.
Elie van Rijckevorsel (1845-1928)Dr. Elie van Rijckevorsel was de laatste telg van een oud
Rotterdams koopmansgeslacht, waarvan de stamboom terug gaat naar het einde
van de 15e eeuw. De familie komt oorspronkelijk uit Breda, maar de tot het
Lutheranisme overgegane
In Rotterdam was hij vele jaren lid van de gemeenteraad, iets dat hij verplicht was aan zijn stand en familietraditie. Hij deed veel voor de ontwikkeling van het onderwijs, zowel in de raad als in de rol van mecaenas. Zo betaalde hij voor de oprichting van een openbare bibliotheek (aan de Nieuwe Markt), tal van bewaarscholen, de eerste huishoudschool en een school voor verstandelijk gehandicapten. Voor de verzorging van zijn vrouw richtte hij in 1911 een stichting op die mede als belangrijk doel had de bevordering van cultuur en wetenschap in Rotterdam Deze stichting, de Erasmusstichting, bestaat nog steeds. Zijn verzamelingen liet hij na aan de gemeente Rotterdam en vonden hun plaats in het museum voor Land- en Volkenkunde (nu Wereldmuseum), Museum Boijmans-Van Beuningen en het Historisch Museum Rotterdam (nu Museum Rotterdam). Willem Nicolaas Rose (1801-1877) Rose werd
De
in Hoogezand geboren Spiekman engageerde zich al op vroege leeftijd in de
socialistische beweging. Aanvankelijk was hij lid van de Sociaal Democratisch
Bond, maar toen die in 1893 afzag van de democratische weg om de idealen te
bereiken werd Spiekman in 1894 één van de twaalf oprichters van de Sociaal
Democratische Arbeidersparti Hij werd voorzitter van het federatiebestuur van de SDAP, lid van de Provinciale Staten van Zuid Holland en lid van de Tweede Kamer. Als Kamerlid heeft hij zich met succes ingezet voor verbetering van de rechtspositie van de havenarbeiders en de zeelieden. Vanwege zijn grote kennis van zaken, praktische instelling en tolerantie vond hij ook bij politieke tegenstanders meestentijds een aandachtig gehoor. Na een langdurige ziekte Spiekman leed aan leukemie - overleed hij op 43-jarige leeftijd. Daadwerkelijke verandering in de sociale kwestie kwam pas na zijn dood, toen na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 de sociaal-democratie aan politieke invloed ging winnen, zowel op gemeente- als rijksniveau. |
|
|
|
Hendrik Tollens (1780-1856) Verfhandelaar en dichter. Tollens grootouders kwamen vanuit Gent naar Rotterdam en begonnen een verfhandel, die later uitgroeide tot een verffrabriekje net buiten de bestaande stad (nu Ammanstraat). Hendrik Tollens trad tegen zijn zin in de voetsporen van zijn vader en grootvader, maar ging in zijn vrije tijd gedichten schrijven. In 1799 kwam een eerste bundel met gedichten uit met een licht erotische ondertoon. Tollens was betrokken bij de patriotische beweging in Rotterdam, die zich republikeins opstelde en afkerig was van de positie van de Stadhouder in het staatsbestel en de quasi-erfelijke invullling ervan door de Oranje-dynastie. De patriotten juichten de intocht van de Franse revolutionaire troepen in 1795 toe. Tollens keerde zich van de patriotten en de Fransen af toen na 1810, toen Napoleon Bonaparte een einde maakte aan het koninkrijk Holland (met diens broer Lodewijk Napoleon als koning) en de Franse aanwezigheid steeds meer als bezetting werd ervaren. Hij begon historische gedichten te maken met het
verleden als metafoor voor het heden om op die manier de Franse censuur te
ontlopen. Na de vedrijving van Napoleon in 1813 en de stichting van het het
Koninkrijk der Nederlanden, was de jonge staat op zoek naar een nationale
identiteit. Tollens speelde in op die behoefte met gedichten die vol waren
van huiselijk geluk en opriepen tot trouw aan God en Vaderland. In 1816 schreef oud-zeeofficier en filantroop jhr Johan Hendrik van Kinsbergen een competitie uit voor het componeren van een volkslied voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Tot dan toe had Nederland geen volkslied. Tijdens de Republiek werd het Wilhelmus slechts officieus als nationale hymne beschouwd en veel gebruikt als partijlied van de Oranjegezinden. Tollens won de wedstrijd (fl 500,- prijsgeld) met zijn "Wie Nêêrlandsch Bloed in den aderen vloeit", getoonzet door Johann Wilhelm Wilms. Vooral de 2e zin "Van vreemde smetten vrij" zou nu als racistisch kunnen worden uitgelegd. Tollens doelde echter op de Franse bezetting en eventuele loyaliteiten aan de Fransen. In 1932 werd het op aandringen van Koningin Wilhelmina als volkslied vervangen door het Wilhelmus. In 1820 schreef Tollens het lange tijd zeer bekende gedicht "Overwintering der Hollanders op Nova Zembla", dat op zijn beurt weer inspiratie vormde voor de beroemde schoolplaat van Ising. In 1821 op de toppunt van zijn roem publiceerde hij een bundel Nieuwe Gedichten met een voor die tijd ongekende oplage van meer dan 10.000 exemplaren. Tollens bleef leven van zijn verfhandel en had een groot gezin met 11 kinderen. In 1846 trok hij zich terug uit de verfhandel en verliet hij Rotterdam om zich te vestigen in de villa Ottoburch (nu Tollenshuis) bij Rijswijk, dat toen nog een klein dorp van 2500 inwoners was. Tollens verlangde naar het buitenleven en de nabijheid van de natuur. Tot op hoge leeftijd bleef hij natuurgedichten schrijven en stond hij bekend als "Vader Tollens". De bewondering van zijn fans was enorm. Vele kenden zijn (soms lange) gedichten uit het hoofd. Hij was zonder meer de grootste dichter van zijn tijd. Na zijn overlijden werd in het Park in Rotterdam een standbeeld voor hem opgericht. Later nam de aandacht voor zijn werk af. Met name de dichters die zich tot de Tachtigers rekenden hekelden zijn conventionele wereldvisie, maar vooral zijn retorische, bombastische taalgebruik. De verfhandel en -productie werd door een schoonzoon van Tollens voortgezet. Na het bombardement in 1940 werd het bedrijf in 1942 voortgezet in Overschie. In 1992 werd het bedrijf overgenomen door de Franse Lafarge groep. Het verfmerk Tollens (zonder eigen productie) bestaat nog steeds en wordt met name in België en Frankrijk goed verkocht. |
|
Abraham Tuschinski (1866-1942) Bioscoopexploitant. Tuschinski werd in 1866 in een dorpje in de buurt van Lodz in Polen geboren als zoon van een arme textielverkoper. Abraham werd zelf tot kleermaker opgeleid. Hij trok eerst naar Lodz, waar hij op
17 jarige leeftd trouwde. Vervolgens ging hij in 1904 naar Rotterdam. Of
Rotterdam zijn einddoel was of slechts een tussenstation op weg naar Amerika
is niet zeker. Zijn reisgenoten hadden familie in Rotterdam en hij ging er
rechtstreeks heen. Van emigratie naar Amerika kwam in ieder geval niets en
hij bleef in de stad "hangen". Hij vond werk als kleermaker bij een
landgenoot en kon enige tijd later een eigen zaak beginnen. Hij liet zijn
vrouw uit Polen overkomen. Samen met haar start hij een pension voor Poolse
landverhuizers in de Nadorststraat, hotel Polski. In 1911 ziet hij kansen in
een nieuw verschijnlsel: de bioscoop. In 1909 zijn de eerste bioscopen in
Rotterdam geopend. Tuschinsky huurt een oud kerkje aan de Coolvest en begint
met filmvertoningen. De kerk moet wijken voor nieuwbouw van het stadhuis en
hij verhuist naar een pand aan de Hoogstraat (waar nu V&D staat), dat hij
met gevoel voor glamour (rood pluche, spiegels, hoogpolig tapijt) naar eigen
inzicht inricht. Hij noemt het theater Thalia. Er volgen de de jaren daar na
nog drie bioscopen in Rotterdam In 1918 koopt Tuschinski in Amsterdam grond
aan de Reguliersbreestraat. Na veel tegenslagen gaat daar in 1921 het grote
Tuschinski theater open, het grootste en meest luxueuse filmtheater van het
land. In die tijd verkrijgt hij ook de Nederlandse nationaliteit. In 1923
bouwt hij in Rotterdam aan het Pompenburg een tegenhanger van het
Amsterdamse theater: het Grand Theatre met 1600 zitplaatsen. Tuschinski
toont zich een goed werkgever en introduceert een vrije dag per week en een
week betaalde vakantie per jaar. De zaken gaan zo goed dat hij ook met zijn
zwagers en medefirmanten Ehrlich en Gershtanowitz een theater in Den Haag
opent. Daarna gaat het bergafwaarts. Zijn huwelijk staat onder druk omdat
hij een relatie begint met de ex-vrouw van zijn zwager Hermann Erhlich. Zijn
enig overlevende zoon Will - twee jongere kinderen overlijden als peuter -
krijgt keelkanker en overlijdt op 33-jarige leeftijd. Het gaat pas echt fout
als op 14 mei 1940 zijn vier Rotterdamse theaters en zijn woning worden
verwoest in het Duitse bombardement op de stad. Zijn Amsterdamse en Haagse
theaters worden onteigend en veranderen van naam. Noodgedwongen trekt hij
met zijn vrouw in bij zijn minnares Jet aan de Rochussenstraat. Hij probeert
nog te vluchten, maar hij wordt opgelicht. Op 1 juli 1942 wordt hij
gearresteerd. Waarschijnlijk is zijn verblijfplaats verraden. Via Westerbork
belandt hij op 17 september in Auschwitz, waar hij bij aankomst meteen wordt
vergast.
|
|
Faas Wilkes (1923-2006) Profvoetballer. Faas Wilkes werd geboren in het Oude Noorden, waar hij opgroeide aan de Soetendaalseweg. Voetballen deed hij aanvankelijk met jongens uit de buurt op een opgespoten landje aan de Heer Vrankenstraat, waar later in 1949 een Lutherse kerk werd gebouwd. Ook toen al was hij een echte pingelaar, die de bal alleen afspeelde om een doelpunt te maken. Wilkes
was voorbestemd om met zijn broer het verhuisbedrijf van zijn vader voort te
zetten. Zijn eerste club was de HION in Crooswjk, waar hij als jeugdspeler
van 1935 speelde. Vanaf 1941 speelde hij als 17-jarige in het eerste elftal
van Xerxes, dat toen in de hoogste afdeling speelde van de KNVB. Vanaf 1936
wordt Wilkes voor het Nederlands elftal geselecteerd. In 1948 speelt hij met
een Europese selectie tegen een Engelse selectie. Daar hoort Wilkes, die in
Nederland alleen de amateur competitie van de KNVB kent hoeveel zijn
Italiaanse, Franse en Spaanse teamgenoten verdienen. Hij verkent de
mogelijkheden om in Engeland een profcontract te krijgen, wat bijna lukt bij
Charlton Athletic. In Nederland - waar het amateurschap als ideaal geldt -
werd er schande van gesproken. Een jaar later weet Internazzioale uit Milaan
Wilkes te strikken. Hij gaat bij Milaan 60.000 gulden per seizoen verdienen,
exclusief premies. Voor die tijd was dat een enorm bedrag. Hoewel Beb
Bakhuys al in 1937 tegen betaling was gaan spelen voor het Franse FC Metz,
stond diens salaris van 600 in de maand en 20.000 handgeld in geen
verhouding tot wat Wilkes ten deel viel. Wilkes is daarom de eerste grote
voetbaltransfer in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Wilkes werd prompt
door de KNVB voor vijf jaar geschorst voor het Nederlands elftal. Bij Inter
scoorde Wilkes aan de lopende band (47 goals in 95 wedstrijden) en was in
korte tijd zeer populair en krijgt de bijnaam 'Il Tulipano' (de Tulp). Na
drie jaar verhuist hij Torino. Door een blessure beleeft hij daar een weinig
succesvol jaar. Hij speelt maar 12 keer en scoort slechts één doelpunt.
Vandaar gaat het naar Valencia, waar hij drie seizoenen zeer succesvol
speelt. Na Valencia keert hij terug naar Nederland, waar inmiddels een officiële profcompetitie is begonnen
(Eredivisie). Hij krijgt een contract bij VVV in Venlo. Hij kon echter niet
aarden in de Nederlandse competititie, die in vergelijking met Italië en
Spanje nog niet erg professioneel was. Hij vertrok naar Levante de andere
club van Valencia. Na een jaar bij Levante keerde hij definitief terug in
Nederland, waar hij twee seizoenen bij Fortuna '54 in Sittard speelde,
waarna hij zijn voetbalcarière bij zijn oude liefde Xerxes op 40 jarige
leeftijd beëindigde. Wilkes heeft nooit voor Feijenoord gespeeld, de grote
club van Rotterdam. Dat had hij best gewild, gaf hij later toe, maar
Feijenoord wilde niet aan zijn financiële voorwaarden voldoen.Wilkes speelde 38 maal in het Nederlands elftal met een onderbreking van zeven jaar (1949-1956) wegens een schorsing. In die wedstrijden scoorde hij 35 maal. Dit was een record dat maar liefst 37 jaar standhield toen Dennis Bergkamp in 1998 het overnam. Deze is daarna door Patrick Kluivert voorbijgestreefd (38 goals). Johan Cruijff noemde Wilkes, de tweebenige, behendige, sierlijke en veel scorende aanvaller als zijn grote voorbeeld. Daarom nodigde hij hem ook uit voor zijn jubileumwedstrijd in 1999 en speelde de 76-jarige Wilkes enige seconden voor het "Oranje van de Eeuw". Na zijn voetballloopbaan dreef Wilkes vanaf 1962 met zijn vrouw jarenlang een modezaak aan de Lijnbaan, Monisima genaamd. Wilkes overleed in 2006 op 82-jarige leeftijd aan een hartstilstand. |