BiografiŽn van belangrijke Rotterdammers

 

Ahmet Aboutaleb (1961-)

Politicus. Geboren in Beni Sidel, een klein dorp in het Rifgebergte in het Noordoosten van Marokko. In 1976 emigreert hij met zijn moeder en broers naar Nederland. Via LTS en MTS komt hij op de HTS in Den Haag waar hij de electrotechnische richting kiest (telecommunicatie). Na zijn studie is hij vanaf 1986 o.a. free lance verslaggever bij het Veronica tv-programma Nieuwslijn en NOS radio. In 1989 stapt hij over naar RTL4 Nieuws. Vervolgens wordt in 1991 hij voorlichter bij het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur waar hij nauw samenwerkt met toenmalig minister Hedy d'Ancona. Een aantal communicatiefuncties volgt bij de Sociaal Economische Raad en Centraal Bureau voor de Statistiek. In 1998 wordt Aboutaleb directeur van Forum (voorheen het Nederlands Centrum Buitenlanders). Forum is een kenniscentrum voor multiculturele vraagstukken. In 2000 neemt hij zitting in de Marokkaanse Hoge Raad voor Economische Ontwikkeling en Planning, een adviesorgaan van de Marokkaanse regering. Dit lidmaatschap kwam hem op kritiek te staan van Marokkanen in Nederland, die vonden dat het zich slecht verhoudt tot het streven naar integratie in Nederland. Bovendien hebben velen moeite met de wijze waarop de Marokkaanse overheid controle probeert te houden over geŽmigreerde Marokkanen. Tijdens zijn periode bij Forum vindt de aanslag op het World Trade Centrum in New York plaats en breekt een woelige tijd aan in de verhoudingen tussen Islamitische en niet-islamitische inwoners in Nederland. Aboutaleb treedt vaak op als deskundige en woordvoerder en tracht daarbij het onderscheid duidelijk te maken tussen het belijden van de Islam en het extremisme dat leidt tot terrorisme of sympathie daarvoor. In tegenstelling tot zijn voorganger bij Forum kiest hij richting de immigranten voor een hardere en veeleisender houding als het gaat om integratie en het pakken van opleidingskansen. In 2001 is hij heel even in beeld als bewindspersoon namens de LPF, maar hij kan zich niet in een de standpunten van deze partij over minderheden en migratie vinden.  In 2002 wordt Aboutaleb directeur bij de bestuursdienst van de gemeente Amsterdam. Een jaar later sluit hij zich aan bij de Partij van de Arbeid. Als wethouder Oudkerk in 2004 moet aftreden wegens prostitutiebezoek wordt Aboutaleb voorgedragen als wethouder van onderwijs en sociale zaken. Niet veel later wordt in Amsterdam cineast en polemist Theo van Gogh vermoord door een geradicaliseerde moslim van Marokkaanse afkomst. Samen met burgemeester Cohen spant hij zich in om de gemoederen te bedaren en geweldadige escalatie onder de bevolking te voorkomen.
In 2007 wordt Aboutaleb staatssecretaris van sociale zaken in het 4e kabinet Balkenende. Aboutaleb voelt zich slecht thuis in de landelijke politiek en als de positie van burgemeester in Rotterdam in 2008, na de pensionering van Ivo Opstelten, vacant wordt, laat hij binnenskamers zijn belanstelling voor dit ambt blijken. In de vertrouwenscommissie wordt zijn kandidatuur breed gedragen, ook door de vertegenwoordiger van Leefbaar Rotterdam. Als het nieuws van zijn voordracht bekend wordt reageert Leefbaar Rotterdam zeer fel, maar de gemoederen raken enigszins bedaard in de periode die volgt.
Als burgemeester wordt Aboutaleb geconfronteerd met een paar gevallen van grote ongeregeldheden, zoals bij een strandevenement in Hoek van Holland en een Bevrijdingsfestival in Rotterdam, waarbij de politie maar te nauwer nood de orde kan herstellen. In Hoek van Holland valt zelfs een dode. Dit is aanleiding voor Aboutaleb veel restrictiever en strenger te zijn bij het verlenen van vergunningen voor grootschalige publieksevenementen. Zo verdwijnt de Dance Parade uit de stad en worden organisatoren verplicht tot stringente veiligheidsmaatregelen.
Aboutaleb is een liefhebber van poŽzie en heeft werk van de Syrische dichter Adonis vertaald.

Riek Bakker (1944-)


Stedenbouwkundige. Geboren in Amsterdam en opgegroeid in Meppel. Bakker is opgeleid als Tuin- en Landschapsarchitecte en starte in 1976 met een vriendin het adviesbureau Bakker en Bleeker. Via eenRiek Bakker opdracht voor o.a. het ontwerp voor het Wollenfoppenpark in Zevenkamp kwam zij in contact met de gemeente Rotterdam. In 1985 werd Bakker gevraagd om directeur Stadsontwikkeling te worden in Rotterdam. Na enige aarzeling aanvaarde zij de benoeming. Haar opdracht was om meer samenhang te brengen in de stad Rotterdam. De gemeente wilde meer aantrekkelijke woonruimte voor de middenklasse, nieuwe en andere bedrijvigheid aantrekken en het culturele klimaat verbeteren en verstevigen. Allemaal zaken waaraan het midden jaren tachtig aan ontbrak. Riek Bakker zag vrij snel dat Rotterdam met de rug naar de rivier stond en zag in de verlaten havengebieden op Rotterdam Zuid de locatie bij uitstek om de doelstellingen van de gemeente te realiseren. Met veel energie en overtuigingskracht begon zij aan het ontwerp en ontwikkeling van de Kop van Zuid. Riek Bakker streefde naar grootse gebaren en grootstedelijke kwaliteit. Hiervoor kreeg ze in de politiek, het bedrijfsleven en bewoners niet meteen de handen op elkaar. Ook binnen de eigen dienst moesten de neuzen in dezelfde richting gebracht worden. Met haar doorzettingsvermogen en overredingskracht lukte dat. Speerpunt was de herontwikkeling van het oude en verlaten hoofdkantoor van de Holland Amerika Lijn in het Hotel New York. Deze ontwikkeling werd gevolgd door woningbouw in de Stadstuinen, het Entrepotgebied, de Landtong en de Wilhelminapier. Stedelijke voorzieningen als het Luxor theater en de rechtbank werden op de Kop van Zuid gehuisvest. Hoogbouw was onder Riek Bakker niet alleen oplossing voor kantoren, maar juist ook voor woningen. Onder haar regie schoot de ene na de andere woontoren de lucht in.
Het centrumplan van 1985 werkte ze verder uit en ze hield zich ook bezig met de Noordrand van de stad bij Zestienhoven. De nadruk van haar werk lag echter op de Kop van Zuid, die in  haar visie moest worden verbonden met het bestaande centrum door een beeldbepalende brug. Nadat de dienst gemeentewerken met een traditioneel ontwerp was gekomen met vier pijlers, kwam Riek Bakker met een innovatief en opvallend ontwerp van de architet Ben van Berkel. Ze wist het stadsbestuur te overtuigen van de meerwaarde van een opvallende brug. De extra benodigde financiŽle middelen werden bij de minister van Verkeer en Waterstaat losgepraat. In 1993 neemt Bakker afscheid van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting en start zij in Rotterdam een eigen adviesbureau voor stedelijke planning BVR (Bureau van Riek) genaamd. Vanaf 2007 werkt zij als adviseur onder de naam Riek Bakker Advies. In haar visie was Rotterdam bij haar afscheid nog niet af: "we zijn halverwege, maar wel op de goede weg".

Pierre Bayle (1647-1706)

Filosoof. Bayle werd als zoon van een Franse calvinistische predikant geboren in Carla-le-Comte in AriŤge in het Zuidwesten van Frankrijk. Na een academie in Puylaurens bezocht te hebben ging hij verder studeren aan een Jezuiten college in Toulouse, waarvoor hij zich in 1669 bekeerde tot het katholicisme. Na 17 maanden had hij er genoeg van en keerde terug naar het Calvinisme en nam de wijk naar GenŤve. Hij kwam daar in aanraking met het werk van Renť Descartes. In 1675 werd hij benoemd tot hoogleraar Pierre Baylefilosofie aan de protestantse academie van Sťdan in Lotharingen. In 1681 werd de academie door koning Lodewijk XIV gesloten, waarna Bayle, door bemiddeling door de Rotterdamse regent Adriaen Paets sr naar Rotterdam emigreerde. Het  Rotterdamse stadsbestuur, de Vroedschap had hem uitgenodigd te komen met het verzoek 'sigh herwaerts in deze stad te transporteeren en te laten gebruijken tot onderwijsinge vande jeugt, soo in particuliere, als in publiece lessen'. Hij werd benoemd tot hoogleraar filosofie en geschiedenis aan de Illustre School van Rotterdam. Deze school was een tussenopleiding voor leerlingen van de Latijnse School, die later een universitaire studie wilden gaan volgen, vooral in Leiden. Bayle kreeg het magere tractement van 315 gulden per jaar. Later werd dit verhoogd tot 500 gulden. Zonder ondersteuning van zijn beschermheer Paets en privť lessen zou hijn niet kunnen rondkomen.  Onder het professoraat van Bayle beleefde de school een enorme en later niet meer vertoonde bloei. In 1684 begon Bayle te schrijven aan zijn meesterwerk Dictionaire Historique et Critique. Dit was een encyclopedisch opgezet overzicht van de filosofie, theologie en wetenschap. In 1697 verscheen de eerste druk in Rotterdam. Het sloeg enorm aan in Europa en met name Frankrijk. De 18e eeuwse filosofen Voltaire en Diderot geven Bayle de eer als voorbeeld voor hun denken en werken. De Amerikaanse president Thomas Jefferson noemde de Dictionaire ťťn de belangrijkste werken in de Library of Congress. Eveneens in 1684 begon Bayle met de redactie van het tijdschrift Nouvelles de la Rťpublique des Lettres, een wetenschappelijk en literair maandblad dat hem binnen en buiten de Nederlandse Republiek zijn naam zou vestigen als de Philosophe de Rotterdam. Zijn pleidooien voor religieuze tolerantie, secularisme en zin afkeer van gereformeerd obscurantisme en dogmatisme brachten hem in conflict met zijn collega en oude vriend de theoloog Pierre Jurieu. Deze beschuldigde hem van atheÔsme en verraad. Op voorspraak van Jurieu werd Bayle in 1693 door de Vroedschap als hoogleraar ontslagen. Dat Bayle in Rotterdam mocht blijven wonen en publiceren kan worden uitgelegd dat het stadsbestuur zich niet al te veel wilde mengen in godsdienstige zaken. Men was met het ontslag de orthodoxen in de stad al ver genoeg tegemoet gekomen. In dit klimaat met Bayle als lichtend voorbeeld kreeg Rotterdam een aantrekkende werking op andere Europese denkers en schrijvers. Bayle verkeerde met de Engelse zakenman Benjamin Furly, die zijn huis aan de Scheepmakershaven openstelde als debating lounge voor mensen als de Engelse filosoof John Locke, die hier van 1686 tot 1689 verbleef. Honderd jaar later zou de Amerikaanse grondwet putten uit de denkbeelden van deze Engelsman. Andere namen waren Halyburton (Schotland), graaf Shaftesbury (Engeland), Pilippus van Limborch (Amsterdam) en de Zwitsers Crouza en Le Clerc. 
Bayle overleed in 1706 in Rotterdam waar hij in de Waalse kerk werd begraven. Na de sloop van die kerk werden zijn resten overgebracht naar de begraafplaats in Crooswijk.

Anna Blaman (1905-1960)

Schrijfster. Pseudoniem voor Johanna Petronella Vrugt. Blaman wordt geboren in Kralingen (Vredenoordplein). Haar vader overlijdt in 1916, waarna haar moeder een kosthuis begint in Middelland. Ze volgt een opleiding tot lerares Frans, maar werkt later als administratief medewerker bij de gemeente. Ze blijft haar hele leven, mede vanwege een zwakke gezondheid bij haar moeder wonen. In 1941 debuteert zij met de roman Vrouw en Vriend. Het thema van de eenzaamheid van de mens en de ontoereikendheid van intermenselijke realties daarin zal haar hele werk blijven beheersen. In 1947 volgt Eenzaam Avontuur, waarmee ze defintief doorbreekt. De roman wekt m.n. in christelijke kringen veel weerstand vanwege de onomfloerste wijze waarop een lesbische (erotische) relatie wordt beschreven. Blaman maakte geen geheim van haar eigen lesbische geaardheid zonder zich bijzonder militant op te stellen. Haar boek Eenzaam Avontuur was voorwerp van een satirisch bedoeld "boekentribunaal" ter gelegenheid van de de Boekenweek. Het evenement ontspoorde nogal en er werd een nogal persoonlijke toon aangeslagen. Een schandaal was geboren, maar de verkoop van het boek schoot omhoog. Daarna bleef Blaman romans schrijven met een existentialistische thematiek. In 1956 won zij de PC Hooftprijs voor haar hele oeuvre. In Rotterdam werd zijn bekend vanwege haar Wagenspelen, populaire toneelstukken die op koninginnedag op de laadbak van een vrachtwagen op verschillende plaatsen in de stad werden opgevoerd. Ook schreef ze teksten voor het cabaret van Wim Sonneveld. In Rotterdam was ze ook actief in litteraire kringen waar ze zich inzetten voor de naoorlogse wederopbouw in culturele  en filosofische zin. Ze was o.a. betrokken bij de oprichting van het theater de Lantaren. Na haar voortijdige dood in 1960 raakte haar litteraire nalatenschap wat op de achtergrond. Haar graf op begraafplaats Hofwijk werd geruisloos geruimd. In 2010, 50 jaar na haar overlijden is in Rotterdam weer ruimschoots aandacht aan haar besteed. Op de Heemraadsingel is een monument voor haar opgericht (een motorfiets, haar favoriete vervoermiddel) en in de Vliegerstraat is bij haar voormalige woning (nr 50a) een portret geplaatst. Het letterkundig museum in Den Haag nam haar op in de canon van  honderd belangrijkste moderne schrijvers.

 

Daniel George van Beuningen (1877-1955)

Industrieel, financier en kunstverzamelaar. Van Beuningen werd geboren uit een familie die in de achttiende en negentiende eeuw D.G. van Beuningen drie generaties predikanten voortbracht. Zijn vader voelde zich echter tot de handel aangetrokken. Door zijn huwelijk kwam hij in aanraking met het spoorwegen- en steenkolenhandelsbedrijf, en zo richtte hij in 1896 te Utrecht de Steenkolenhandelsvereeniging (SHV) op. George van Beuningen richtte in opdracht van zijn vader de Rotterdamse vestiging op van de SHV, een onderneming die kolen levert voor de scheepvaart en later uitgroeit tot een conglomeraat van ondernemingen. Naast de SHV bezit hij ook tal van andere zakelijke belangen zoals de scheepswerf Piet Smit, Slepersdienst Smit Internationale, Havenrondvaartbedrijf Spido en een rederij. Van Beuningen is betrokken bij de financiering van het Stadion Feijenoord en het Havenziekenhuis. Naast zakendoen wordt zijn tweede passie het verzamelen van kunst. Geadviseerd door de toenmalige directeur van het museum Boijmans, Dirk Hannema, legt hij een ongekende kunstcollectie aan. Regelmatig schenkt hij kunstwerken aan het museum of geeft ze in bruikleen. Bij  zijn dood in 1955 laat hij de kunstverzameling na aan de gemeente Rotterdam. Zijn kunstverzameling vormt samen met de nalatenschap van die de advocaat Boijmans (1767-1847) de kern van de collectie van het museum Boijmans Van Beuningen. Uit erkentelijkheid voor zijn rol in de opbouw van de collectie wordt zijn naam aan de naam van het museum toegevoegd.

Terug

Jonker Frans van Brederode ((1465-1490)

Nadat van graaf Willem IV van Holland uit het huis van Avesne, was gesneuveld in 1345 in de strijd met de Friezen werd hij opgevolgd door zijn zuster Margaretha van Beieren. Haar zoon Willem V was deJonker Frans van Brederode eigenlijke opvolger, daar deze was met 15 jaar nog te jong. Tussen aanhangers van Margaretha en Willem ontstonden in Holland conflicten, die bekend werden als de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Onder Willem IV hadden de steden veel invloed gekregen, omdat ze diens dure veldtochten hadden gefinancierd. Na diens dood zagen de edelen hun kans om hun verloren invloed te herwinnen. Een groep edelen (Kabeljauwen) vonden dat Willem V zich moest los maken van zijn moeder Margareta en de macht aan zich moest trekken. Andere edelen en veel steden (Hoeken) schaarden zich achter Margaretha. Steden en edelen kozen partij, niet zo zeer uit principiŽle oorzaken, maar op basis van reeds lopende conflicten en belangen. Vaak werd van partij gewisseld. Na 1417 gingen de BourgondiŽrs zich in de strijd mengen. De strijd luwde. In 1482 werd Maximiliaan van Habsburg graaf van Holland. In een laatste poging om het tij voor de Hoeken te keren kozen zij Jonker Frans van Brederode als leider. Hij veroverderde Rotterdam, dat zijn uitvalsbasis werd. Van hieruit deed hij een aantal pogingen om dorpen en steden in de omgeving te veroveren, werden plunderingen van het platteland ondernomen en heerste er piraterij op de omliggende wateren. Maximiliaan slaat met zijn vazal Jan van Egmont terug en Jonker Frans wordt uit Rotterdam verdreven. Jonker Frans schuimt met een bescheiden vloot de Zeelandse eilanden af en wordt uiteindelijk bij Brouwershaven definitief verslagen en gevangen genomen. Hij overlijdt in gevangenschap in Dordrecht aan in deze laatste slag opgelopen verwondingen. Hoewel Rotterdam sterk geleden had onder het bewind van Jonker Frans, werd de tot dan toe relatief onbeduidende stad stevig op de kaart gezet. De omringende concurrerende steden als Delft en Gouda waren nog gehavender uit de strijd gekomen, hetgeen Rotterdam een voordeel verschafte, waardoor het zich kon ontwikkelen tot een belangrijk handelscentrum in Holland. 

Terug

Pieter Caland (1826-1903)

Deze van oorsprong Zeeuwse waterbouwkundige zorgde er voor dat Rotterdam een toekomstvaste Pieter Calanden ongehinderde verbindingen met open zee kreeg. Na het verzanden van de Brielse Maas had Rotterdam slechts via een grote omweg verbinding met de Noordzee. Het kanaal door Voorne  (1830) bleek al snel te smal, zodat er een nieuwe verbinding moest komen om de toekomst van de Rotterdamse haven veilig te stellen. Caland bedacht - tegen de gangbare theoriŽn in - een oplossing van een gegraven kanaal dat op natuurlijke wijze op diepte gehouden kon worden. Daarmee zou het probleem van verzanding eens en voor altijd tot het verleden behoren. Caland ging uit van een diepte van 5,5 meter. Toen kort na openstelling van de Nieuwe Waterweg er toch weer verzanding optrad kreeg Caland veel kritiek. De gemeenteraad besloot tot aanvullende graafwerkzaamheden. Tot ieders verrassing bleek Caland's idee daarna wel te werken en had Rotterdam zijn broodnodige directe verbinding met zee. Daarna kon de groei van de haven tot de grootste van Europa beginnen. Later werd de Nieuwe Waterweg nog verder uitgediept tot 11,60 m in 1957. 

Terug

 

Jules Deelder (1944- )

Jules Deelder werd in 1944 geboren als zoon van een handelaar in vleeswaren. Deelder groeide op in Overschie en deed daar de HBS. Deelder debuteerde als dichter in 1962 met het gedicht "Straat" in het Algemeen Handelsblad. Zijn doorbraak werd geforceerd door zijn collega Simon Vinkenoog, die hem in 1966 uitnodigde voor een poŽziefestival in Theater Carrť in Amsterdam. Zijn eerste gedichtenbundel verscheen in 1969. In de jaren '80 van de 20e eeuw ontwikkelde Deelder zich als boegbeeld van het culturele nachtleven in Rotterdam en zijn dichterlijke stijl. Deelder leest zijn gedichten niet voor, maar declameert ze met onvervalst Rotterdamse tongval. Een performance poet, die te laat was voor de Beat Generation van Jack Kerouac en Allen Ginsberg. Zijn meest bekende prozawerk is een biografie over de Rotterdamse boksheld Bep van Klaveren, The Dutch Windmill. Naast dichter, schrijver en voordrachtskunstenaar is Deelder ook muziekkant (drummer van Trio Me Reet) en dj (in cafť's en op de radio) en kreeg de eretitel "Nachtburgemeester van Rotterdam". Zijn markante persoonlijkheid bleef ook reclamemakers niet onopgemerkt, zodat hij met enige regelmaat in reclamefilms te zien is geweest. Deelder is onvoorwaardelijk fan van de voetbalclub Sparta, waar hij alle thuiswedstrijden bezoekt. Deelder is winnaar van een aantal literaire prijzen, waaronder de Anna Blamanprijs en de Tollensprijs.

In 2014 werd ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag aan de Mathenesserlaan een standbeeld voor hem opgericht, naast cafť Ari. Het cafť is vernoemd naar Deelder's dochter (1985) en is gelegen vlakbij zijn woonhuis.

 

 

Kees van Dongen (1877-1968)

Van Dongen werd aan de Voorhaven in Delfshaven geboren, waar zijn vader een mouterij had. Hij deed een avondstudie aan de Rotterdamse Academie voor Kunsten en Technische Wetenschappen (nu Hogeschool Rotterdam). In 1897 ging het voor het eerst naar Kees van DongenParijs en raakte onder de indruk van het drukke leven. Hij begint aan een bestaan als illustrator in Rotterdam, waar hij onder andere voor het Rotterdamsch Nieuwsblad werkt. Hij vestigt zich in de Zandstraatbuurt (waar nu het stadhuis staat), destijds de rosse uitgaansbuurt van de stad. In zijn werk legt hij het rumoerige leven op impressionistische wijze vast. Na zijn huwelijk met Augusta Preitlinger vertrekt hij wederom naar Parijs, waar hij zich artistiek schaart onder de Fauvisten met hun wilde taferelen in ongemengde kleuren. In die tijd ontmoet hij o.a. Matisse en Picasso. Met de laatste deelt hij een atelier in het befaamde Le Bateau-Lavoir in Montmartre. Later raakt hij in de ban van het oriŽntalisme en maakt hij reizen nLe doigt sur la joueaar Spanje, Marokko en Egypte. Indrukken op deze reizen vinden hun weg in zijn schilderstijl.

In 1907 keerde hij voor korte tijd terug naar Rotterdam om zich te herbronnen aan de Hollandse schidertradities van met name de Gouden Eeuw en zijn grote voorbeeld Rembrandt van Rijn. In die periode maakt hij een aantal werken in een nieuwe stijl, waarmee hij internationaal zou doorbreken. Terug in Parijs werd hij met name in de jaren '20 een belangrijke figuur in de Parijse society wereld, waar hij een welgestelde clientŤle om zich verzamelde, die hij in zijn typische stijl portreteerde. Onder hen waren Arletty, Leopold III van BelgiŽ, Louis Barthou, Sacha Guitry, Anna de Noailles en Maurice Chevalier. Cynisch merkte hij in die tijd over zijn populariteit als portrettist van society-vrouwen, op dat  "de essentie ligt erin om de vrouwen langer en slanker te maken. Daarna hoef alleen nog hun juwelen uit te vergroten en ze zijn verkocht". In 1926 werd hij opgenomen in het Franse "Legion d'honneur" en in 1929 verwierf hij het Franse staatsburgerschap.

Tijdens de Duitse bezetting van Frankrijk liet hij zich door de Duitse beelhouwer Breker uitnodigen voor een kunstreis naar Duitsland. Dit kwam hem later op verwijten van collaboratie te staan. In 1949 hield museum Boijmans een overzichtstentoonstelling van zijn werk, waarbij de kunstenaar zelf aanwezig was. Er ontstond een rel toen het gemeentebestuur op aandringen van een raadslid een aantal "aanstootgevende" naakten liet verwijderen. In 1968 waren deze werken bij een tweede tentoonstelling geen probleem meer, maar Van Dongen was niet meer in staat te komen. Hij overleed in hetzelfde jaar in Monaco, waar hij sinds 1957 was gaan wonen. 

 

Desiderius Erasmus Roterodamus (1469-1536)

Deze humanist is in Rotterdam geboren uit een onwettige verbintenis tussen een priester en een zekere Margaretha. Hij werd in 1492 tot priester gewijd in Gouda en werd secretaris van de rondreizende bischop van Kamerrijk. Hij studeerde in Parijs en op reis in Engeland (1499) ontmoet hij Thomas Moore. Zijn belangstelling voor het Nieuwe Testament en de kerkvaders wordt gewekt. Hij ontwikkelt een bijbelshumanistische theologie, wars van kerkelijke ceremonies en starre dogma’s. Hij reist door ItaliŽ en schrijft boeken over de kerkvaders. Terug in Engeland schrijft hij "De Lof der Zotheid", een satire op maatschappelijke en kerkelijke misstanden en domheden. Van 1511 tot 1514 doceert hij in Cambridge. Van belang is ook zijn vertaling in het Latijn uit het Grieks van het Nieuwe Testament. Van 1517 tot 1521 woonde hij in Leuven. Verdacht van ketterse sympathiŽn vluchtte hij naar Basel. Hij probeerde humanisme en christendom te verenigen en pleitte voor verdraagzaamheid binnen de Roomse kerk. Erasmus overleed in 1536 in Basel, waar hij ligt begraven in de Grossmunsterkerk. In Rotterdam staat sinds 1622 een bronzen beeld van Erasmus, vervaardigd door Hendrik de Keyzer.

Terug

Pim Fortuyn (1948-2002)

Fortuyn werd geboren als derde van zes kinderen in een Katholiek gezin in Driehuis bij Haarlem. Na zijn middelbare school in Haarlem studeerde hij sociologie aan de  Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit. Tijdens zijn studie was hij actief in de Studentenvakbond SRVU en leidde de bezetting van de universiteit in 1972. In hetzelfde jaar verhuist hij naar Groningen waar hij wetenschappelijk medewerker wordt. Hij doceert Marxistische sociologie en werkt aan een dissertatie. Na sympathieen voor de CPN wordt hij actief in de PvdA. In 1980 promoveert hij op een proefschrift over Nederlands sociaal-economisch beleid tussen 1945 en 1949. In 1986 wordt hij medewerker bij de Sociaal Economsche Raad. In 1989 leidt hij de introductie van de OV-Studentenkaart. In 1990 verhuist hij naar Rotterdam en vestigt zich als zelfstandig adviseur en publicist. Hij is korte tijd bijzonder hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. HIj is van 1993 tot 2001 columnist voor Elsevier. In die tijd profileert hij zich steeds sterker als criticus van het politieke establishment en met name tegen de paarse kabinetten onder leiding van Wim Kok (1994-2002). Na een protest tegen de veronpersoonlijking van de politieke cultuur neemt hij vervolgens stelling tegen de in zijn ogen toenemende invloed van de Islam op de Nederlandse cultuur. Partij politiek had hij zich al afgekeerd van de PvdA. Hij zoekt achtereenvolgens toenadering tot de VVD en het CDA. Dit leidt niet tot enig resultaat. In 2002 besluiten verschillende locale "leefbaarpartijen" (met name uit Utrecht en HIlversum) een landelijke partij op te richten: Leefbaar Nederland. Voorlieden Jan Nagel en Henk Westbroek vragen Fortuyn om het leiderschap op zich te nemen. Fortuyn aanvaardt deze uitnodiging, net zoals hij ingaat op het verzoek van Leefbaar Rotterdam om hun lijst aan te voeren tijdens de gemeenteraadverkiezingen van maart 2002.  Na een kranteninterview, waarin hij stelt dat een verbod op discriminatie ondergeschikt is aan de vrijheid van meningsuiting en hij verdere immigratie van (islamitische) asylzoekers wil stopzetten wordt hij als lijsttrekker van Leefbaar Nederland ontslagen. Fortuyn richt daarop een eigen partij op, die bekend wordt onder de naam Lijst Pim Fortuyn (LPF). Onder Fortuyn's leiding wint Leefbaar Rotterdam (LR) de gemeenteraadsverkiezingen. De partij neemt zitting in het college van B&W met drie wethouders, maar Fortuyn blijft fractievoorzitter in de raad. De verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer wordt zeer fel. Het politieke debat polariseert vooral rond Fortuyn's standpunten over (Islamitische) migranten en integratie. Met zijn flamboyante persoonlijkheid, zijn agressieve debatstijl en populistische uitspraken domineert hij het politieke debat.  De LPF vergaart in de opiniepeilingen een enorme aanhang. Fortuyn zet zijn zinnen op het premierschap. Enkele dagen voor de verkiezingen wordt hij echter op 6 mei 2002 op het Mediapark in Hilversum doodgeschoten door een extremistische dierenactivist. Het bericht van zijn  geweldadige dood - de eerste politieke moord in Nederland sinds de lynchpartij op Johan en Cornelis de Witt in 1674 - veroorzaakt een golf van verontwaardiging, met name onder zijn aanhang. Zijn uitvaart op 10 mei vond onder massale publieke belangstelling plaats.

Hoewel zijn partij drie dagen later een forse verkiezingszege boekt en aan de regering gaat deelnemen, gaat de beweging al snel ten onder aan interne twisten. Leefbaar Rotterdam houdt beter stand, ook al verliest de partij in 2006 een aantal zetels en belandt het buiten het college van B&W. 

Terug

Dirk Hannema (1895-1984)

Museumdirecteur. Hannema studeerde rechten en kunstgeschiedenis in Leiden, maar maakte geen van beide studies af. In  afbeelding van Hannema, Dirkplaats daarvan kwam hij als assistent van de directeur in dienst bij museum Boijmans in Rotterdam. Toen die directeur, Schmidt Degener naar het Rijksmuseum in Amsterdam vertrok volgde Hannema hem op 26 jarige leeftijd op. Hannema is vooral bekend geworden door zijn vermogen kunstwerken op te sporen en op een of andere wijze in zijn museum te krijgen. Dit was lastig omdat het de gemeente Rotterdam aan middelen ontbrak om stevig te investeren in aankopen. De collectie van het museum had als basis een legaat van de 18e eeuwse advocaat Boijmans en was voor uitbreidingen veelal afhankelijk van legaten, giften en bruiklenen. Hannema wist dit probleem te overwinnen door goede relaties aan te knopen met vermogende havenbaronnen als Willem van der Vorm (Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij en Holland-Amerikalijn) en D.G. van Beuningen (Steenkolen Handelsvereniging). Beide vermogende mannen waren geÔnteresseerd in kunst en zagen het belang ervan voor de  stad. Ze wilden graag een collectie opbouwen, maar hadden niet veel kennis van kunst. Hannema adviseerde ze bij de opbouw van hun collecties. Daartegenover stond dat zij zo nu en dan een kunstwerk aan het museum schonken en grote delen van hun collecties lange tijd in bruikleen gaven. Uiteindelijk lieten zij hun collecties na aan het museum.

Tot de belangrijkste vondsten, cq aanwinsten van Hannema worden De Verloren Zoon van Jeroen Bosch en Titus van Rembrandt gerekend. In 1935 verhuisde het museum van het Schielandhuis naar het nieuwe als museum gebouwde gebouw aan de Mathenesserlaan (nu Museumpark). Het gebouw is speciaal voor de collectie van het museum gebouwd. Hannema speelde een belanrijke rol bij het ontwerp.

 Tijdens de oorlog staat Hannema sympathiek tegenover de nieuwe Duitse orde en gaat op in de door de Duitsers georganiseerde cultuurinstellingen. Hij wordt bestuurslid van de Nederlandsche Cultuurkring, die op instigatie vanHannema en zijn hoofdconservator bewonderen de pas verworven  Emmausgangers Reichsbeauftragter Seys-Inquart, de hoogste Duitse bestuurder in Nederland, was opgericht. Ook liet hij zich in 1943 door NSB-leider Mussert benoemen tot Gemachtigde voor het museumwezen in Nederland. Hij zei later op deze wijze het cultuurgoed voor Nederland te willen behouden. Hij werd echter na de bevrijding in 1945 vanwege deze bestuursfuncties gearresteerd en gevangengezet in Hoek van Holland. Later wordt hij vrijgesteld van vervolging, maar zijn baan als directeur van het museum is hij kwijt. 

Een kwestie die de reputatie van Hannema als kunstkenner schade deed oplopen en ook met de bezetting te maken had was de zaak rond het schilderij de  "Emmausgangers". Het schilderij was Hannema via via aangeboden door de kunstschilder Han Van Meegeren. Hannema, hierin gesteund door andere kunstkenners herkende in het schilderij een tot dan toe onbekend werk van Vermeer. Van Meegeren verkocht in de oorlog ook nog een "Vermeer" aan Reichsmarschall Goering. Hiervoor werd Van Meegeren in 1945 gearresteerd. Om zijn hachje te redden bekende hij het aan Goering verkochte schilderij zelf gemaakt te hebben net als een paar andere, waaronder de Emmausgangers. Om zijn verhaal te bewijzen maakte hij in gevangenschap nog een "Vermeer". Uiteindelijk werd Van Meegeren tot 1 jaar gevangenis veroordeeld. Hij overleed kort na zijn veroordeling. Hannema is altijd in het echtheid van de Emmausgangers blijven geloven. Volgens hem was Van Meegeren niet in staat een dergelijk schilderij te maken. Later ging  hij nog een stapje verder en "ontdekte" nog zes onbekende "Vermeers". Hij werd echter door niemand meer geloofd. 

 

Arie Wouter Heykoop (1883-1930)

Heykoop, geboren in de gemeente Charlois, is van 1909 tot 1929 lid van de gemeenteraad voor de SDAP. Hij was ook actief als propagandist en bestuurders in de vakbond voor havenwerkers. Hij was medewerker van SDAP voorman in Rotterdam Spiekman en was actief betrokken bij de mislukte revolutiepoging van Troelstra in 1919. Op 9 november werden Heijkoop en SDAP-afdelingsvoorzitter Brautigam uitgenodigd ten huize van P. Nijgh, voorzitter van de Scheepvaartvereeniging Zuid, de werkgeversvereniging van de Rotterdamse reders en havenbedrijven. Nijgh was onder indruk van de revolutie in Duitsland en elders  en bleek tot vťrgaande concessies bereid op het gebied van arbeidsverhoudingen. Tijdens dit gesprek belde burgemeester A.R. Zimmerman op en verzocht Heijkoop ijlings naar het stadhuis te komen. Heijkoop nam Brautigam mee. Beiden kregen in het onderhoud met Zimmerman de vaste overtuiging, dat de 'bourgeoisie' bereid was de macht over te dragen aan de arbeidersklasse. Zij schakelden Tweede Kamerlid Arie de Zeeuw in en hebben er zodoende ongetwijfeld toe bijgedragen, dat Troelstra tot de overtuiging kwam dat de tijd rijp voor revolutie was. Troelstra moest een week later evenwel erkennen dat hij zich 'vergist' had.

Van 1919 tot 1929 was hij wethouder voor Volkshuisvesting. Onder zijn bestuur begint de gemeente actief de bouw van betaalbare en kwaltatief verantwoorde woningen voor de lagerbetaalden te stimuleren. Hij bond de strijd aan met de zogenoemde alkoofwoningen. Een alkoof is een tussenkamer zonder naar buiten openende ramen. Door Heijkoop werd deze bouwvorm als schadelijk voor de gezondheid beschouwd. Ze werd veel toegepast in arbeiderswoningen, die om op grondkosten te besparen rug-aan-rug tegen elkaar werden aangebouwd. Voorbeelden van woningen die op initiiatief van Heykoop zijn gebouwd zijn met name te vinden in Bloemhof en Hillesluis waar enkele beton experimenten werden uitgevoerd. De betonwoningen werden gekscherend de "kubussen van Heykoop" genoemd. In 1929 overleed Heykoop aan de gevolgen van longemfyseem.  

Terug

 

Antony van Hoboken 1756-1850

Reder en Koopman. Van Hoboken werd in een groot arm gereformeerd gezin geboren, dat in een kleine woning aan de Grote Markt woonde. Hij ging op jonge leeftijd aan de slag als pakhuisknecht aan de Wijnhaven. Daar komt hij in contact met de wereld van handel en scheepvaart. In 1774 begint hij op 18 jarige leeftijd een handel in boter en kaas. Dat ging hem goed af, want in 1786 kon hij zich al een pakhuis met woning aan de Wijnhaven veroorloven. Enige tijd later kan hij in 1788 de handelsfirma van zijn zakenrelatie Hesselaar overnemen, waardoor hij goede handelscontacten in Nederlands-IndiŽ krijgt. Eind 18e eeuw gaat hetAnthony van Hoboken bergafwaarts met de VOC, die het handelsmonopolie op IndiŽ had. Scheepskapiteins van de VOC gingen voor eigen rekening lading verhandelen. Hier maakte Van Hoboken gebruik van voor de export van Nederlandse waren naar de Indische koloniŽn en de import van Indische specerijen. Na de inval van de Fransen en de stichting van de Bataafsche Republiek ging de VOC in 1799 failliet. Van Hoboken stond klaar met een aantal schepen om in het ontstane gat te springen. De Engelse blokkade van de handelsroutes op Afrika en AziŽ  en de overname van de Nederlandse koloniŽn en handelsposten door de Engelsen voorkwamen dat Van Hoboken succesvol werd. Hij richtte daarom zijn scheepvaartactiviteiten, laverend tussen de Engelse handelsbeperkingen, op de Oostzeelanden en begon met het fabriceren van Korenwijn. Eerst in Delft, later ook in Rotterdam aan de Baan. Hij investeert ook in onroerend goed en verzekeringen. In 1811 - nadat Nederland is ingelijfd in het Franse keizerrijk van Napoleon - neemt hij zitting in de Rotterdamse Kamer van Koophandel. De handel is in die tijd slap als gevolg van Napoleons Continentale Stelsel (verbod op handel met Engeland) en de Engelse reactie erop (verbod op Franse handel met de rest van de wereld). Waarschijnlijk is hij in die tijd betrokken geweest bij het driedaagse bezoek van de keizer aan Rotterdam in 1811, toen deze in het Schielandhuis logeerde. Na de nederlaag van Napoleon in 1813 en zijn verbanning daarna hervatte Van Hoboken zijn handel op IndiŽ. Engeland was nu een bondgenoot en Nederland kreeg de meeste koloniŽn terug. Van Hoboken neemt de scheepswerf "Rotterdams Welvaren" over, waar hij zijn eigen schepen laat bouwen en repareren. In 1814 begint hij een lijndienst op IndiŽ die 60 jaar standhoudt.  Ook met andere bestemmingen worden regelmatige scheepverbindingen onderhouden.

Op initiatief van Koning Willem I wordt in 1824 de Nederlandse Handelsmaatschappij (NHM) opgericht - een voorloper van de ABNAMRO bank. Deze maatschappij krijgt het handelsmonopolie op IndiŽ, maar is verplicht van Nederlandse reders gebruik te maken. Van Hoboken is net als de koning zelf, betrokken als aandeelhouder en verdient dus dubbel aan de activiteiten. In 1841 heeft Van Hobekon 22 schepen in de vaart en was daarmee de grootste in Nederland. Koning Willem I bewonderd de initiatiefrijke Van Hoboken en verleent hem een ridderorde. De koning schijnt verzucht te hebben: "als niet koning Willem was geweest, was ik graag van Hoboken geworden". 

Van Hoboken negeerde de opkomst van het stoomschip. Hij geloofde er niet in. Hij verdiende veel geld met de zeilschepen en dat  geld stak hij in landgoederen en huizen. In 1830 verwierf hij de heerlijkheid van Rhoon en Pendrecht en het daarbij behorende Kasteel van Rhoon. In 1842 voegde hij daar de heerlijkheid van Cortgene op Noord-Beveland aan toe. In Rotterdam was hij eigenaar geworden van een 65 ha groot stuk land ten westen van de stad. Dit landgoed dat begrensd werd door de Nieuwe Binnenweg, De Coolhaven en de Westzeedijk stond daarna bekend als het land van Hoboken. Zijn zoon Jacobus liet hier in 1852 de Villa Dijkzigt bouwen (nu Natuurhistorisch Museum). Het landgoed bleef tot 1924 familiebezit en een landelijke, groene oase in de stad. In 1832 kwamen zijn drie zonen in de firma. Ook zij zagen niets in stoomschepen. Hierdoor verloor de rederij steeds meer terrein. Eind 19e eeuw werd de rederij Van Hoboken beŽindigd en legden de erven Van Hoboken zich toe op de handel met m.n. IndiŽ. Deze handel werd tot ver in de 20e eeuw succesvol voortgetzet.  Van Hoboken ligt begraven in de familiekelder op het kerkhof van Hillegersberg.

 

Gerrit Jan de Jongh (1845-1917)

De Jongh werd in 1879, na een militaire cariŤre, directeur gemeentewerken. In tegenstelling tot zijn voorganger Rose was De Jongh doortastend en autoritair. Op zijn aandringen koopt de gemeente de terreinen van de faillietverklaarde Rotterdamsche Handelsvereniging op het Noordereiland en Feijnoord. Hij ontwierp als eerste de Rijnhaven en bracht het Noordereiland en Feijnoord tot ontwikkeling. Hij voerde na een ernstige cholera-epidemie Rose’s plannen voor riolering en waterleiding uit en gaf ook vorm aan de aanleg van nieuwe singels (Heemraadsingel, Provenierssingel). Onder zijn leiding werd electrische straatverlichting aangelegd. Binnen gemeentewerken zette hij een reinigingsdienst op, die huis en bedrijfsvuil ophaalde en iets deed aan de grote hoeveelheden paardenuitwerpselen op straat.

Op aandringen van de Jong werd de Coolpolder van de buurgemeente Delfshaven geannexeerd, zodat de stad in westelijke richting kon uitbreiden met woonwijken (Middelland, Nieuwe Westen), een haven (Coolhaven) en havensporen. Delen van Hillegersberg en Overschie werden geannexeerd voor de aanleg van de Ceintuurbaan (spoorweg naar Utrecht). Op de Zuidoever hiedlden Katendrecht en Charlois op te bestaan als zelfstandige gemeenten, omdat ze nodig waren voor havenuitbreidingen

De Jongh speelde in op de ontwikkelingen in goederenstromen. Het industrieel belang van het Ruhrgebied nam toe, evenals de stoomscheepvaart. De Jongh besefte dat voor de nieuwe transitofunctie van Rotterdam en de groter wordende diepgang van schepen snel nieuwe havens moesten worden aangelegd. Na de Rijnhaven en de Parkhaven in 1894, volgden de Katendrechtse havens zoals de Maashaven in 1911. De kroon op De Jongh’s werk was de Waalhaven, die pas na de tweede wereldoorlog volledig in gebruik is genomen. De Jongh’s woningbouwprojecten op Zuid en in Noord (Oude Noorden) zijn minder gelukkig te noemen.

De bagger, die omhoog kwam bij de aanleg van de havens werd gebruikt voor de aanleg van het Kralingse Bos en de Parkheuvel bij het park.

In 1910 ging De Jongh met pensioen en was nog enige jaren lid van de Tweede Kamer en de Provinciale Staten. In het museumpark is een groots monument opgericht, die het werk en de betekenis van De Jong voor de stad benadrukt.

Terug

Ernest van der Kwast (1981)

Van der Kwast is een schrijver met een humoristische stijl. Zijn grote doorbraak kwam met Mama Tandoori, dat losjes is gebaseerd op zijn eigen Indiaase moeder. Het was genomineerd voor de NS-publieksprijs. Van der Kwast heeft de neiging te fabuleren over van alles en nog wat. Zo claimde hij het auteursshap van een ander boek dat ook was genomineerd voor de zelfde prijs. Van der Kwast was redacteur van literair magazine Passionate en organiseert literaire evenementen in Rotterdam. Zijn boeken hebben meestal Rotterdam als achtergrond. Zeker zijn Wonder dat niet Omvalt, waarin hij onbekende mensen portretteerd met een bijzonder vefhaal. Het boek was de basis voor de tentoonstelling Ode aan Rotterdam in Rotterdam Museum in 2016. In hetzelfde jaar won hij met De IJsmakers de Dioraphte Literatoerprijs. Een literaire jongerenprijs.  Van der Kwast werd in Bombay geboren  en woont afwisselend in Rotterdam en ItaliŽ.


Cees van der Leeuw (1890-1973)

Van der Leeuw was een telg uit een familie van industriŽlen, die het eigendom hadden verworven van de koffie, thee en tabakfabriek Erven de Wed. Van Nelle in Rotterdam. Van der Leeuw volgde en commerciŽle opleiding en trad in 1913 in dienst van het bedrijf. In 1917 werd hij compagnon en pakte hij de taak op om een nieuw bedrijfspand te realiseren, nadat de vestiging aan de Leuvehaven te klein geworden was. Van der Leeuw was sterk geÔnteresseerd in architectuur en met name in het Modernisme of het Nieuwe Bouwen. Hij geloofde in de zegeningen van licht en ruimte op het menselijk welzijn en dus ookVan Nelle fabriek op dat van zijn werknemers. Goede werkomstandigheden waren niet alleen een morele plicht voor fabrikanten, maar leverde ook productievere, meer gemotiveerde en gezondere werknemers op. Nadat hij in contact was gekomen met Leendert van der Vlugt, een modernistische architect in de traditie van de Zwitserse architect Le Corbusier, kwam de befaamde Van Nellefabriek tot stand in de Spaanse Polder. Bovendien liet hij Van der Vlugt een woonhuis ontwerpen aan de Kralingse Plaslaan. 

In 1931 sloeg Van der Leeuw een andere richting in. Hij ging psychiatrie studeren in Wenen bij Sigmund Freud en Alfred Adler. Na zijn promotie keerde Van der Leeuw in 1939 terug naar Nederland vanwege de oorlogsdreiging en de gevolgen van de inlijving van Oostenrijk door Nazi-Duitsland. Hij stelde bij de fabriek orde op zaken na het overlijden van zijn broer en trad in dienst bij het psychiatrisch ziekenhuis Maasoord in Poortugaal (nu Delta). Kort daarna nam hij weer de leiding op zich van de fabriek. 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde Van der Leeuw de discussies in de Club van Rotterdam, een gezelschap van Rotterdamse zakenlieden, over de wederopbouw. Van der Leeuw stond, in tegenstelling tot stadsarchitect Witteveen, een nieuwe functionalistisch opgebouwde stad voor ogen met veel ruimte voor modernistische architectuur. Op aandringen van Van der Leeuw kreeg hij van Gevolgmachtigde Ringers een rol in de wederopbouworganisatie. Witteveen stapte op en maakte de weg vrij voor een onder auspiciŽn van Van der Leeuw uitgewerkt Basisplan voor de wederopbouw van de hand van Witteveen's opvolger Van Traa. In de architectonische uitwerking kregen de modernistische architecten veel ruimte. 

Terug

Ruud Lubbers (1939- )

IndustriŽel en politicus. Ruud Lubbers was de oudste van drie zoons van Paul Lubbers, eigenaar van machinefabriek Hollandia in Krimpen aan den IJssel. Lubbers studeerde economie (cum laude) aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam en  toen zijn vader plotseling overleed brak hij zijn promotieonderzoek af en nam samen met broer Rob de leiding van het bedrijf over. Na enkele jaren begon hij maatschappelijke functies te bekleden, met  name in katholieke werkgeverskringen. Hij werd ook lid van de Katholieke Volkspartij (KVP), waarbinnen hij tot de progressieve stroming behoorde. Lubbers Ruud Lubbersmaakte deel uit van de Amťricain-groep, een groep progressieve KVP'ers en ARP'ers die zich slecht konden vinden in de keuze van hun partijen voor samenwerking met de VVD in 1967.  die Bij de afsplitising van de groep Aarden van de KVP-fractie in 1968, waaruit in 1968 de Poltieke Partij Radikalen (PPR) ontstond, bleef Lubbers trouw aan de KVP. In 1973 werd Lubbers gevraagd om zitting te nemen als minister van Economische Zaken in het kabinet Den Uyl. In die tijd kreeg hij te stellen met de olieboycot van Arabische landen en de economische crisis die daarop volgde.  Van de linkse maatschappijhervormingen van dat kabinet voerde hij de Wet Investeringsrekening in (1976; een stimuleringsegeling voor de industrie), maar botste hij met Den Uyl over de Vermogensaanwasdeling en de grondpolitiek. Op dit laatste onderwerp viel het kabinet. Na de verkiezingen van 1977 werd Lubbers kamerlid voor het pas gevormde CDA en na het vertrek van Wim Aantjes ook fractievoorzitter. In die tijd ontwikkelde hij zijn talent voor het vinden van compromissen en oplossingen voor politieke problemen door het formuleren van vage teksten van overeenstemming. Hij krijgt in die tijd de bijnaam "de oplossingenmachine".

Na het vertrek uit de politiek van CDA leider en premier Dries van Agt na de verkiezingen van 1982 werd Lubbers minister-president van een kabinet van CDA en VVD, dat met een zogenaamd No Nonsense beleid de overheidsfinanciŽn op orde bracht. Hij riep hiermee veel weerstand op, maar werd ook populair. Hij won de verkiezingen van 1986 en zette het beleid voort. Lubbers stempel op de politiek werd steeds zwaarder. Ook internatinaal nam zijn statuur in omvang toe ("Ruud Shock") . Lubbers wist in 1988 de slepende kwestie van de plaatsing van kernwapens voor de middellange afstand ("kruisraketten") af te ronden met het besluit te deze wapens in Nederland te plaatsen als de Sovjet-Unie doorging met het plaatsen van hun systemen in Oost-Europa. Zijn dominante rol wekte ook wrevel bij coalitiepartner VVD. In 1989 viel het kabinet op een detail uit het Nationaal Milieubeleidsplan, waarna hij na de verkiezingen een coalitie met de PvdA sloot. Tijdens deze kabinetsperiode werd Lubbers de langst zittende premier uit de Nederlandse geschiedenis (12 jaar) en werd duidelijk dat het zijn laatste kabinet zou zijn. Een poging om voorzitter te worden van de Europese Commissie strandde in 1993 op een veto van de Duitse bondskanselier Kohl, die Lubbers niet kon vergeven dat die zich in 1990 kritisch had uitgelaten over een op handen zijnde Duitse eenwording en dat hij zich had verzet tegen Frankfurt als vestigingsplaats voor de Europese Centrale Bank.  Ook zijn tegenstrever voor de post, de Belgische premier Jean-Luc Dehaene greep naast de prijzen en de positie ging naar de Luxemburger Jacques Santer.

Zijn opvolging door Eelco Brinkman in 1994 verliep rommelig, omdat Lubbers tijdens de verkiezingscampagne van 1994 openlijk afstand begon te nemen van de standpunten van Brinkman. Na zijn vertrek uit de politiek werd Lubbers enige tijd hoogleraar in Tilburg. Een poging in 1995 om secretaris-generaal van de NAVO te worden strandde eveneens, omdat Lubbers in de ogen van de Amerikaanse president Clinton en diens regering als te kritisch werd gezien. De post ging naar de Spanjaard Javier Solana. In 1995 werd Lubbers benoemd tot minister van Staat.

 In 2000 kreeg Lubbers dan toch eindelijk een internationale functie, hetgeen hij op basis van zijn internationale statuur als langzittende ministerpresident zo ambieerde: hij werd Hoge VN commisaris voor de vluchtelingen. In die functie bereikt hij dat veel vluchtelingen konden terugkeren in hun land van herkomst en daar werden gerehabiliteerd. In 2004 werden een klacht tegen hem ingediend wegens sexuele intimidatie door een medewerker van het Hoge Commisariaat. VN secretaris-generaal Khofi Annan achtte Lubbers niet schuldig, maar toen het onderzoeksrapport in 2005 uitlekte in de pers en Annan zich niet meer uitsprak ten gunste van Lubbers, nam Lubbers ontslag.

Lubbers zette zich daarna vooral in op het thema duurzaamheid en integratie. Tussen 2006 en 2014 is hij voorzitter van de stichting Studenten Vluchtelingen (UAF). Na de verkiezingen 2010 wordt Lubbers tijdens de ingewikkelde kabinetsformatie informateur. Nadat een poging tot een zogenaamd Paars Plus kabinet is gestrand, onderzoekt hij na een suggestie van PvdA-leider Cohen de mogelijkheden voor samenwerking van VVD en CDA met de PVV. Cohen verwacht dat dit zal mislukken, maar Lubbers waarschuwt dat weldegelijk tot een succesvolle formatie kan leiden. Hij krijgt - tot zijn eigen spijt - gelijk. Hij keert zich uiteindelijk als CDA-lid tegen deelname van het CDA aan deze constructie.

 

Karel Paul (K.P.) van de Mandele (1880-1975)

Bankier en filantroop. Van de Mandele was de enige zoon van een Delftse bankier, die in 1901 failliet ging. De student KP werd door zijn oom Antoine Plate, oprichter van de Holland Amerikalijn in huis opgenomen en geholpen bij een start in zijn loopbaan. De bankierszoon trad 1906 in dienst bij de Rotterdamsche Bank, later bekend als de Rotterdamsche Bankvereniging, alsKP van de Mandele directiesecretaris. In 1910 trad hij toe tot de directie. In 1936 werd hij directievoorzitter. Later in 1938 werd hij voorzitter van de Rotterdamse Kamer van Koophandel, een functie die hij tot 80 jarige leeftijd bekleedde. Tot zijn 90e was hij nog commissaris van verschillende Nederlandse ondernemingen. Van de Mandele toonde een sterke maatschappelijke betrokkenheid. Zo was hij een van de initiatiefnemers voor de Nederlandsche Economische Hogeschool (1913), die later zou uitgroeien tot de Erasmus Universiteit. Hier moest het zakelijke hoger kader voor het Rotterdamse bedrijfsleven op wetenschappelijke wijze worden opgeleid. Tot 1964 was Van de Mandele betrokken bij het bestuur van de school. Hij was ook een leidende figuur in de maatschappijen die tot doel hadden om goede huisvesting voor de arbeiders te realiseren, zoals in Tuindorp Vreewijk en 's-Gravenhof. Hij was ook voorzitter van de stichting Volkskracht. Het doel van de stichting is: 'de bevordering van den geestelijken en lichamelijken welstand der mingegoede bevolking van Rotterdam'.

Als bankier en voorzitter van de KvK en de stichting Volkskracht is hij betrokken bij de bouw van  het Museum Boymans, de Maastunnel, het Stadion Feijenoord, het behoud van de Holland-Amerika Lijn en de bouw van de 'Nieuw Amsterdam', de Beurs van Koophandel, de verhuizing van de Diergaarde naar Blijdorp en het Havenziekenhuis. Meteen na het bombardement van 14 mei 1940 zet hij zich in voor de wederopbouw van de stad en roept een aantal notabelen, waaronder burgemeester Oud bij elkaar. Even later krijgt stadsbouwmeester Witteveen de opdracht tot het maken van een plan voor de wederopbouw. Ook na de oorlog blijft hij zich inzetten voor het herstel van de stad en de haven en de economische ontwikkeling van de regio.

Sommigen verklaren zijn tomeloze inzet voor het welzijn voor de stad, vanuit een schuldgevoel voor het faillisement van zijn vader's bank en zien het als een afbetaling van een schuld aan de samenleving.

Terug

Coen Moulijn (1937-2011)

Geboren en opgegroeid in het Oude Noorden, debuteerde Moulijn op 17-jarige leeftijd als linksbinnen bij Xerxes. Na een seizoen werd hij weggeplukt door Feijenoord, dat de snelle, maar kleine speler overnam vooCoen Moulijnr een transferbedrag van 28.000 gulden (€12.600). Moulijn was aanvankelijk niet geneigd om Xerxes te verruilen voor een club van de boerenzijden van Rotterdam, maar zag uiteindelijk in dat daar meer mogelijkheden lagen. Moulijn blonk uit door zijn onnavolgbare passeerbewegingen langs de linker zijlijn, die vaak eindigden met een uitstekende voorzet. Er was buitenlandse belangstelling voor Moulijn, met name uit Barcelona, maar Moulijn bleeft Feijennoord trouw. Met de komst van de Zweedse spits Ove Kindvall vormde hij van 1966 tot 1971 een ijzersterk aanvallend koppel. Zelf scoorde Moulijn 84 keer in 487 wedstrijden. Moulijn werd met Feyenoord vijf keer landskampioen, de laatste keer in 1971 toen zijn carriere op zijn einde liep. Ook won hij twee keer de KNVB-beker. Hoogtepunt was het behalen van de Europacup I in 1970 (tegen Celtic) en de Wereldbeker voor clubteams in dat zelfde jaar (tegen Estudiantes). Moulijn speelde 38 keer voor het Nederlands elftal, waarvoor hij vier keer scoorde. Voor het Nederlands elftal had m.n. concurrentie van Piet Keizer van Ajax.

Moulijn was een speler waarvoor mensen naar het stadion kwamen. Zo sterk was de band tussen hem en toch al hondstrouwe Feijenoord aanhang, dat beweerd werd dat als Moulijn op de middenstip zou gaan klaverjassen het stadion ook vol zou zitten. Zijn werklust, creativiteit, clubtrouw en bescheidenheid sprak velen aan. In 2009 werd op het stadionplein een standbeeld voor hem onthuld. Al tijdens zijn actieve spelersloopbaan had Moulijn een modewinkel in de wijk Zuidwijk in Rotterdam. Hij overleed op 1 januari 2011 ten gevolge van een herseninfarct. Op 8 januari werd zijn rouwstoet door de stad gereden en konden de Rotterdammers voor het stadhuis afscheid van hem nemen. 

Olivier van Noort (1558-1627)

OnOlivier van Noorttdekkingsreiziger. Van Noort was de eerste Nederlander, die rond de wereld zeilde. De in Utrecht geboren Van Noort was uitbater van een herberg te Rotterdam "De Dubbele Witte Sleutels" tot hij op 13 september 1598 in opdracht van de Magelaense Compagnie met vier schepen en 250 manschappen een nieuwe zeeroute naar IndiŽ probeerde te vinden. De compagnie was een van de vele zogenaamde voorcompagnieŽn, die in 1604 zou opgaan in de VOC.  De Nederlandse republiek was in oorlog met Spanje en de routes naar IndiŽ werden door de Portugezen gedomineerd. Het was dus zaak om contact met deze mogendheden te vermijden. Daarom koos men voor een route via de staat van Magelhaes in het Zuiden van Chili. Enige maanden voor Van Noorts vertrek was een groep schepen onder commando van Mahu hem - ook vanuit Rotterdam - al voorgegaan. Van die groep schepen kwam ťťn schip (De Liefde) in 1600 aan in Japan, hetgeen de aanzet was voor een 200-jarige exclusieve handelsrelatie. Van Noort's groep voer via o.a. Rio de Janeiro naar de Straat van Magelhaes en leverde een aantal malen slag met Portugese schepen. Met twee schepen voer hij richting de Philipijnen, waar nog een schip verloren ging in een gevecht met Spaanse schepen. Via Borneo en Java zette Van Noort met de Mauritius koers richting Kaap de Goede Hoop. Met nog een tussenstop op St Helena kwam Van Noort op 26 augustus 1601 terug in Rotterdam.

Johan van Oldenbarneldt (1547-1619)

Van Oldenbarneveldt was in Amersfoort geboren uit een regentenfamilie met een Ridderachtergrond. Hij was van 1576 tot 1586 raadspensionaris van Rotterdam (een soort gemeentesecretaris of stadsjurist). Onder zijn leiding werd de aanzet gegeven tot de eerste stadsuitbreidingen in de Waterstad en daarmee de enorme uitbreiding in havencapaciteit. Onder zijn bewind nam de handel en nijverheid een grote vlucht, niet in de laatste plaats door zijn goede contacten met vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden. Met succes wist voor hij Rotterdam een aantal handelsvoordelen te behalen, ten nadele van concurrenten als Delft en Dordrecht. Zo kreeg hij het voor elkaar om het stapelrecht van Dordrecht op te schorten. In 1581 bereikte ook dat Rotterdam stemrecht kreeg in de staten van Holland, iets wat de zevende stad van het gewest tot dan toe onthouden was. Zo kreeg Rotterdam meer politieke invloed in Holland en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Als vertegenwoordiger van Rotterdam in de Staten van Holland kreeg van Oldenbarnevelt ook een aantal taken opgedragen om namens het gewest en de republiek uit te voeren, zoals belastinginning. Een vitale opgave voor de jonge republiek.

Na de moord op Willem van Oranje nam Van Oldenbarnevelt de leiding in de afwikkeling van zijn overlijden en het opvullen van een dreigend machtsvacuŁm. In die functie nam hij initiatieven tot oprichting van de Verenigde Oostindische Compagnie en wist Rotterdam op zeer gunstige voorwaarden die compagnie in te loodsen. Van Oldenbarneveldt speelde vervolgens een belangrijke rol in de binnen- en buitenlandse politiek van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Hij wist prins Maurits naar voren te schuiven als stadhouder en tegenwicht te bieden tegen de Hertog van Leicester, die door de Engelse koningin naar de opstandige provincies was gestuurd om ze tegen de Spanjaarden te helpen. Leicester werd door de provincies tot landvoogd benoemd en wilde prompt het gezag centraliseren. Van Oldenbarneveldt met zijn regentenachterban wist dit te voorkomen. Van Oldenbarneveldt’s belangrijkste succes was het sluiten van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621). Daarmee verzwakte hij de positie van Stadhouder Maurits, die zijn status juist aan de oorlog ontleende. Van Oldenbarneveldt was wel overtuigd dat de Republiek enig centraal gezag behoefde, maar was wars van het idee om dat gezag bij ťťn persoon te leggen en al helemaal niet aan een dynastie toe te vertrouwen. Dat bracht hem tegenover Maurits. Hun vijandigheid vond zijn einde in een religieus conflict waarin Maurits en Van Oldenbarneveldt tegengestelde standpunten innamen. Het ging daarbij om een verschil van mening over het begrip predestinatie of voorbestemming. Een groep onder leiding van de Leidse theoloog Arminius stelde dat geloof een noodzakelijke (doch niet voldoende) voorwaarde was voor God's genade. Dit week af van het traditionele Calvinistische standpunt dat God bij voorbaat al had bepaald wie genade zou ontvangen en wie voor eeuwig verdoemd zou zijn. Geloof was daarbij slecht de aanvaarding van dat oordeel. Mensen waren dus voorbestemd en hadden daar geen invloed op. Gomarus kwam in verzet tegen de gedachten van Arminius. Deze richtingen strijd kreeg een politieke dimensie toen Van Oldenbarnevelt sympathie liet blijken voor het standpunt dat er verscheidenheid van inzicht mogelijk moest zijn binnen de Gereformeerde kerk. Hij deed dat zonder partij te kiezen voor het inhoudelijke standpunt van Arminius of tegen dat van Gomarus. Prins Maurits daarentegen stelde zich - als het ware van de weeromstuit - achter het standunt dat de kerk puur Calvinistisch moest zijn. Zo begonnen de politieke en religieuze tegenstellingen in de republiek samen te vallen - en er volgde een escalatie. Maurits liet Van Oldenbarneveldt arresteren, zette de staten van Holland buitenspel. Van Oldenbarneveldt werd door een speciale rechtbank ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd wegens hoogverraad. Deze tegenstelling tussen het huis van Oranje (gesteund door een deel van het volk en predikanten) en de republikeinse regenten/bestuurders bleef als een rode draad lopen door de geschiedenis van de republiek. Na de verdrijving van de Fransen in 1813 en de vestiging van een koninkrijk in 1815 was er voor regenten in de traditie van Van Oldenbarnevelt weinig ruimte in het beeld dat men van de geschiedenis had. Het duurde daarom tot 1922 tot er een standbeeld voor deze staatsman werd opgericht. Zelfs toen leidde dat in de gemeenteraad tot hevig debat, bang als men was het huis van Oranje - inmiddels het koningshuis - voor het hoofd te stoten. Uiteindelijk zette oud-wethouder Muller door en schonk uit eigen middelen een standbeeld, dat nu tegen de gevel van het stadshuis staat, recht onder de burgemeesterskamer.

Terug

 

Pieter Jacobus Oud (1886-1968)

Deze in Purmerend geboren politicus en parlementair geschiedschrijver was burgemeester van Rotterdam van 1938 tot 1941 en van 1945 tot 1952. Daarvoor was hij in de kabinetten Colijn II en III minister van FinanciŽn. Van 1917 tot 1933 was hij Tweede Kamerlid voor de Vrijzinnig Democratische Bond. Van 1937 tot 1938 was hij fractievoorzitter van de VDB.

In 1938 werd Oud burgemeester en maakte in die functie het bombardement en de daaropvolgende bezetting mee. Hij bleef burgemeester tot 1941 toen hij zich niet langer in die functie kon vinden door de Duitse druk. In 1945 trad hij weer aan. In 1946 treedt hij met zijn volgelingen toe tot de Partij van de Arbeid. Uit onvrede met het Nederlands OostindiŽ-beleid en het sociaal-economische beleid van die partij richt Oud samen met Stikker, de oprichter van de Partij van de Vrijheid, de VVD op. Tot 1963 is hij voorzitter van die partij. Daarnaast is hij van 1948 tot 1963 lid van de Tweede Kamer. Van 1952 tot 1957 was Oud buitengewoon hoogleraar aan de Nederlandse Economische Hogeschool in Rotterdam.

Terug

Abraham (Bram) Peper (1940- )

Peper studeert sociologie in Amsterdam. Hij promoveert in 1972 aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij sinds 1966 als wetenschappelijk medewerker in dienst was. In 1971 wordt hij lector en in 1977 hoogleraar sociaal-economisch beleid. Van 1972 tot 1983 was hij lid van het  partijbestuur van de PvdA. Van 1980-1982 is ook kroonlid van de SER. In 1982 wordt Peper burgemeester van Rotterdam. Tijdens zijn burgemeesterschap wordt de wederopbouw van de stad afgerond met gedurfde hoogbouw architectuur in het centrum van de stad. Ook de stadsvernieuwing in de oude wijken wordt voortgezet. Peper’s betrokkenheid bij de festiviteiten rond het 650-jarig bestaan van Rotterdam zijn minder geslaagd. Slechts zeer weinig activiteiten komen van de grond.

Peper begint zijn loopbaan als burgemeester als een nogal academisch denkende, stugge bestuurder, maar in de loop der jaren wordt zijn betrokkenheid bij de stad en zijn populariteit groter. Zijn verhouding met het college van B&W wordt daarentegen steeds problematischer. Ook klinkt steeds vaker kritiek op zijn bestuursstijl. Onderwijl ontwikkelt Peper zich als deskundige op het terrein van het Openbaar Bestuur. In 1998 wordt hij minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Vanwege onduidelijkheden over zijn declaratiegedrag gedurende zijn burgemeesterschap treedt hij in maart 2000 af. De gemeentelijke Commissie tot Onderzoek van de Rekening, die de affaire onderzoekt velt een vernietigend oordeel over Peper's declaratiegedrag. Peper laat het er niet bij zitten en gaat in de tegenaanval. De accountants van KPMG die het onderzoek van de COR uitvoerden worden in 2001 voor de tuchtraad voor de accountancy gesleept en Peper krijgt gelijk: het onderzoek is niet onbevooroordeeld. Eerder had het Openbaar Ministerie een vooronderzoek tegen Peper geseponeerd. Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven oordeelt een jaar later dat de gerapporteerde feiten voor een deel onjuist zijn geweest. Daarmee is de lucht tussen gemeente en Peper niet geklaard. De gemeente houdt een aanspraak op 64.000 gulden voor gedeclareerde privť-uitgaven overeind. Op initiatief van burgemeester Opstelten kwam er in 2008 een verzoening tot stand tussen Peper - die inmiddels weer in de stad woont - en de gemeente. Op 24 november van dat jaar werd Peper's geschilderd portret in het stadhuis onthuld.

Terug

Robin van Persie (1983-)

Van Persie is geboren in de wijk Kralingen als zoon van beeldend kunstenaar Bob van Persie, waar hij op straat voetbalt met andere toekomstige profvoetballers als el Hamdaoui en Boutahar. Hij begint zijn voetballoopbaan op 5,5-jarigeRobin van Persie leeftijd bij Excelsior. Hij doorloopt de jeugdelftallen tot hij in de C-jeugd (14-16 jaar) wordt opgepikt door Feyenoord, waar Excelsior een samenwerkingsverband mee heeft. In 2002 maakt Van Persie zijn debuut in het eerste elftal onder trainer Bert van Marwijk. In datzelfde jaar behaalt hij met Feyenoord meteen zijn grootste prijs, de UEFA-cup. In het seizoen daarop botst hij regelmatig met Van Marwijk vanwege zijn gedrag op trainingen en wedstrijden. Hij is nogal overtuigd van zijn kwaliteiten en laat zich slecht corrigeren. Die kwaliteiten zijn ontegenzeggelijk groot en in 2004 wordt hij door manager ArsŤne Wenger naar Arsenel in Londen gehaald. Bij Arsenal groeit Van Persie uit tot een van de beste spitsen in de Engelse Premier League. In 2005 debuteert Van Persie onder bondscoach Marco van Basten in het Nederlands elftal. Hij wordt in de jaren daarna een vaste waarde voor het elftal. In 2010 bereikt hij met het Nederlands elftal voorlopig het hoogtepunt als verliezend finalist van het wereldkampioenschap. Na 8 seizoenen verruilt hij Arsenal voor Manchester United. Hoewel Van Persie bij Arsenal een goede ontwikkeling heeft doorgemaakt en in zijn laatste seizoen ook aanvoerder is geworden, lijken de kansen op een kampioenschap bij deze club niet erg groot. Bij Manchester United is dat anders en met deze club wordt Van Persie in 2013 voor het eerst kampioen. In de kampioenswedstrijd maakt hij alle drie doelpunten. Hij wordt ook (voor de tweede keer) topscorer van de Premier League. Sinds 2013 is Van Persie ook aanvoerder van het Nederlands elftal. Op 11 oktober 2013 verbeterde hij het doelpuntenrecord van Patrick Kluivert in een kwalificatiewedstrijd tegen Hongarije.

Lodewijk Pincoffs (1827-1911)

Pincoffs was een Rotterdamse zakenman, gemeenteraadslid, reder en bankier. Hij was betrokken als Lodewijk Pincoffsdirectielid en/of commissaris bij de Rotterdamsche Bank (nu ABN-AMRO), de Nederlands-Amerikaansche Stoomvaart Maatschappij (later Holland Amerikalijn) en de Rotterdamsche Handelsvereniging.

In 1863 besloot de Gemeenteraad tot aanleg van havens op het eiland Feijenoord. In 1872 richtte Pincoffs, met Duits en Belgisch kapitaal, een maatschappij met het doel de nieuwe terreinen te gaan in te richten en te exploiteren in ruil voor het eigendom van het gebied. Hij deed dit op een moment dat de plannen voor de Willemsbrug, die Feijenoord moesten ontsluiten in een impasse dreigden te raken. Deze maatschappij Rotterdamsche Handelsvereniging kreeg in datzelfde jaar de concessie van de gemeente toegewezen. De RHV had grote ambities. Daarnaast was Pincoffs ook voorzitter van de Afrikaanse Handelsvereniging. Intussen ging het met de AHV niet goed. Ze leed in de handel op Afrika grote verliezen. Pincoffs ontrok kapitaal aan de RHV om de AHV in leven te houden, tot die zichzelf kon bedruipen. Dat laatste gebeurde niet, schulden werden op schulden gestapeld. Toen zijn vriend en compagnon Marten Mees na het gebleken bedrog weigerde te helpen ging de RHV in 1879 failliet. Pincoffs verliet spoorslags het land en emigreerde naar Amerika, een financieel gat van 8 miljoen gulden achterlatend.

Terug

 

Elie van Rijckevorsel (1845-1928)

Dr. Elie van Rijckevorsel was de laatste telg van een oud Rotterdams koopmansgeslacht, waarvan de stamboom terug gaat naar het einde van de 15e eeuw. De familie komt oorspronkelijk uit Breda, maar de tot het Lutheranisme overgegane Elie van Rijckevorseltak (later Remonstrants) moet in 1625 die stad ontvluchten. Ene Abraham Jacobsz komt in 1636 door een huwelijk in Rotterdam terecht. De grootvander van Elie, Abraham (1790-1864) was in zjn tijd een van de meest vooraanstaande kooplieden en politici van de stad. In weerwil van van grootvaders wens wijdde Elie zich niet aan de handel, maar aan de natuurwetenschappen. Hij studeerde in Utrecht en promoveerde in 1873 summa cum laude bij prof. Buys-Ballot, de metereoloog, die later het KNMI oprichtte. Zijn proefschrift ging over aardmagnetisme, dat voor Buys-Ballot van belang was voor zijn theorie over het klimaat. Na zijn promotie ging van Rijckevorsel - omdat hij het leuk vond - op reis naar Nederlands Oost-IndiŽ, waar hij metingen voor Buys-Ballot deed. Als een amateur antropoloog deed hij waarnemingen onder de volkeren van de archipel, waarover hij in brieven aan zijn moeder berichtte. Later zijn deze brieven in boekvorm uitgegeven. In IndiŽ sloeg hij ook aan het verzamelen van locale kunstnijverheid en legde hij de basis voor zijn uitgebreide etnografische verzamelingen, die hij later in het koetshuis van zijn villa aan de Parklaan voor het pubiek toegankelijk maakte. Later reisde Elie nog door BraziliŽ, Zuid-Afrika, Canada en de Verenigde Staten. In dat laatste land trok hij zich vooral het lot van de Indianen en hun beschaving aan, waarvan hij de ondergang als gevolg van het contact met de westerse beschaving voorzag en betreurde.

In Rotterdam was hij vele jaren lid van de gemeenteraad, iets dat hij verplicht was aan zijn stand en familietraditie. Hij deed veel voor de ontwikkeling van het onderwijs, zowel in de raad als in de rol van mecaenas. Zo betaalde hij voor de oprichting van een openbare bibliotheek (aan de Nieuwe Markt), tal van bewaarscholen, de eerste huishoudschool en een school voor verstandelijk gehandicapten. Voor de verzorging van zijn vrouw richtte  hij in 1911 een stichting op die mede  als belangrijk doel had de bevordering van cultuur en wetenschap in Rotterdam Deze stichting, de Erasmusstichting,  bestaat nog steeds. Zijn verzamelingen liet hij na aan de gemeente Rotterdam en vonden hun plaats in het museum voor Land- en Volkenkunde (nu Wereldmuseum), Museum Boijmans-Van Beuningen en het Historisch Museum Rotterdam (nu Museum Rotterdam).

Willem Nicolaas Rose (1801-1877)

Rose werd in 1838 stadbouwmeester van Rotterdam. Rotterdam was in die dagen nog steeds beperkt tot de stadsdriehoek (Coolse Vest -  Goudse Vest – Nieuwe Maas), maar begon ondanks de extreem dichte bebouwing toch uit zijn voegen te barsten. Eťn van zijn eerste plannen is het saneren van de waterhuishouding, die in zeer slechte hygiŽnische staat was en de oorzaak van een cholera-epidemie in 1832. Het plan werd door de zuinige gemeenteraad als te duur afgewezen. Rose had wel visie op stadsuitbreiding en havenwerken vond telkens een zuinig stadsbestuur op zijn weg. Zijn plannen voor het Nieuwe Werk (Scheepvaartkwartier) en de Coolpolder (1858) zijn uitgevoerd als eerste (broodnodige) stadsuitbreidingen in eeuwen. Zijn waterplan (met singels rond de stad) en zijn plan voor havenuitbreidingen op het eiland Feijnoord zijn pas onder zijn opvolgers uitgevoerd. Met name het waterplan is is van groot belang geweest voor de leefbaarheid en veiligheid van de stad. Het verbeterde waterhuishouding in de binnenstad zowel qua hygÔŽne als wat betreft de beheersbaarheid van het waterpeil. Het Coolsingelziekenhuis is het grootste gebouw dat Rose in Rotterdam realiseerde. Daarnaast ontwierp hij een armenhuis, scholen en tal van ander utilitaire bouwwerken. Rose introduceerde in Rotterdam trottoirs en gasverlichting op straat. In 1855 moest Rose terugtreden als stadsbouwmeester nadat de kade van de Boompjes was ingestort. Tot 1877 bleef hij adviserend ingenieur van Gemeentewerken. Van 1858 tot 1863 was hij Rijksbouwmeester. Het schoolgebouw aan de Schiedamsesingel 203-205 is het enige gebouw van Rose in Rotterdam, dat bewaard is gebleven.

Terug

Hendrik Spiekman (1874-1917)

De in Hoogezand geboren Spiekman engageerde zich al op vroege leeftijd in de socialistische beweging. Aanvankelijk was hij lid van de Sociaal Democratisch Bond, maar toen die in 1893 afzag van de democratische weg om de idealen te bereiken werd Spiekman in 1894 ťťn van de twaalf oprichters van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). In 1896 verhuisde hij naar Rotterdam, waar hij aan de slag ging als zetter bij De Sociaaldemocraat. Later werd hij redacteur bij het Dagblad van Rotterdam. Hij zette zich in voor de vakbeweging en pleitte voor een betere organisatie en het instellen van een stakingskas. Vanaf 1903 zette hij zich via het Bureau voor Arbeidsrecht in voor iedereen die het nodig had. Dit leverde hem een zekere populariteit op, ook bij stemgerechtigde Rotterdammers. Kiesrecht was in die tijd nog voorbehouden aan mannen, die aan een bepaalde inkomenseis voldeden. Dit maakt het des te opmerkelijker dat hij in 1901 als eerste sociaaldemocraat met steun van progressieve liberalen in de Rotterdamse gemeenteraad werd gekozen. Hij zou - met een korte onderbreking - tot zijn dood in 1917 lid van de raad blijven. In de raad hield hij zich met sociale kwesties en volkshuisvesting bezig. Bijzonder effectief was hij daarin niet. Samen met de journalist Schotting schreef hij een serie reportages over de woon en leefomstandigheden van de allerarmsten, die de sloppenwijken in de binnenstad bevolkten. Deze werden later gebundeld in een boek met de titel "Arm Rotterdam - hoe het leeft, hoe het woont". Hoewel de inhoud schokkend was bereikte Spiekman weinig.

Hij werd voorzitter van het federatiebestuur van de SDAP, lid van de Provinciale Staten van Zuid Holland en lid van de Tweede Kamer. Als Kamerlid heeft hij zich met succes ingezet voor verbetering van de rechtspositie van de havenarbeiders en de zeelieden. Vanwege zijn grote kennis van zaken, praktische instelling en tolerantie vond hij ook bij politieke tegenstanders meestentijds een aandachtig gehoor. Na een langdurige ziekte Spiekman leed aan leukemie - overleed hij op 43-jarige leeftijd. Daadwerkelijke verandering in de sociale kwestie kwam pas na zijn dood, toen na de invoering van het algemeen kiesrecht in 1919 de sociaal-democratie aan politieke invloed ging winnen, zowel op gemeente- als rijksniveau.


Hendrik Tollens (1780-1856)

Verfhandelaar en dichter. Tollens grootouders kwamen vanuit Gent naar Rotterdam en begonnen een verfhandel, die later uitgroeide tot een verffrabriekje net buiten de bestaande stad (nu Ammanstraat). Hendrik Tollens trad tegen zijn zin in de voetsporen van zijn vader en grootvader, maar ging in zijn vrije tijd gedichten schrijven. In 1799 kwam een eerste bundel met gedichten uit met een licht erotische ondertoon. Tollens was betrokken bij de patriotische beweging in Rotterdam, die zich republikeins opstelde en afkerig was van de positie van de Stadhouder in het staatsbestel en de quasi-erfelijke  invullling ervan door de Oranje-dynastie. De patriotten juichten de intocht van de Franse revolutionaire troepen in 1795 toe. Tollens keerde zich van de patriotten en de Fransen af toen na 1810, toen Napoleon Bonaparte een einde maakte aan het koninkrijk Holland (met diens broer Lodewijk Napoleon als koning) en de Franse aanwezigheid steeds meer als bezetting werd ervaren. Hij begon historische gedichten te maken met hetHendrik Tollens verleden als metafoor voor het heden om op die manier de Franse censuur te ontlopen. Na de vedrijving van Napoleon in 1813 en de stichting van het het Koninkrijk der Nederlanden, was de jonge staat op zoek naar een nationale identiteit. Tollens speelde in op die behoefte met gedichten die vol waren van huiselijk geluk en opriepen tot trouw aan God en Vaderland.
In 1816 schreef oud-zeeofficier en filantroop jhr Johan Hendrik van Kinsbergen een competitie uit voor het componeren van een volkslied voor het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Tot dan toe had Nederland geen volkslied. Tijdens de Republiek werd het Wilhelmus slechts officieus als nationale hymne beschouwd en veel gebruikt als partijlied van de Oranjegezinden. Tollens won de wedstrijd (fl 500,- prijsgeld) met zijn "Wie NÍÍrlandsch Bloed in den aderen vloeit", getoonzet door Johann Wilhelm Wilms. Vooral de 2e zin "Van vreemde smetten vrij" zou nu als racistisch kunnen worden uitgelegd. Tollens doelde echter op de Franse bezetting en eventuele loyaliteiten aan de Fransen. In 1932 werd het op aandringen van Koningin Wilhelmina als volkslied vervangen door het Wilhelmus.  
In 1820 schreef Tollens het lange tijd zeer bekende gedicht "Overwintering der Hollanders op Nova Zembla", dat op zijn beurt weer inspiratie vormde voor de beroemde schoolplaat van Ising.
In 1821 op de toppunt van zijn roem publiceerde hij een bundel Nieuwe Gedichten met een voor die tijd ongekende oplage van meer dan 10.000 exemplaren. Tollens bleef leven van zijn verfhandel en had een groot gezin met 11 kinderen. In 1846 trok hij zich terug uit de verfhandel en verliet hij Rotterdam om zich te vestigen in de villa Ottoburch (nu Tollenshuis) bij Rijswijk, dat toen nog een klein dorp van 2500 inwoners was. Tollens verlangde naar het buitenleven en de nabijheid van de natuur. Tot op hoge leeftijd bleef hij natuurgedichten schrijven en stond hij bekend als "Vader Tollens". De bewondering van zijn fans was enorm. Vele kenden zijn (soms lange) gedichten uit het hoofd. Hij was zonder meer de grootste dichter van zijn tijd. Na zijn overlijden werd in het Park in Rotterdam een standbeeld voor hem opgericht.  Later nam de aandacht voor zijn werk af. Met name de dichters die zich tot de Tachtigers rekenden hekelden zijn conventionele wereldvisie, maar vooral zijn retorische, bombastische taalgebruik.
De verfhandel en -productie werd door een schoonzoon van Tollens voortgezet. Na het bombardement in 1940 werd het bedrijf in 1942 voortgezet in Overschie. In 1992 werd het bedrijf overgenomen door de Franse Lafarge groep. Het verfmerk Tollens (zonder eigen productie) bestaat nog steeds en wordt met name in BelgiŽ en Frankrijk goed verkocht.

Marten Toonder (1912-2005)

Schrijver en striptekenaar. Op een reis naar ArgentiniŽ met zijn zeevarende vader in 1931 komt Toonder in contact met een aan Disney gelieerdeMarten Toonder striptekenaar, die hem inspireert om zelf te gaan tekenen. Hij bezoekt kortstondig de Rotterdamse kunstacademie, maar zijn strips "Bram avonturen" en "Thijs IJs" verschijnen in 1933 al in het Nieuwsblad van het Noorden. In1935 trouwt hij met zijn buurmeisje Phiny Dick, die zelf ook schrijft en tekent aan strips en met Toonder samenwerkt. In 1941 krijgt hij de kans om in De Telegraaf een strip te gaan maken: De Avonturen van Tom Poes. In 1942 fuseert de studio van Toonder met die van Joop Geesink tot Toonder Studios. Zij maken teken- en poppenfilms. Na de oorlog krijgt Toonder het verwijt voor de collaborerende Telegraaf te hebben gewerkt en lid van de Kulturkammer te zijn geworden. Toonder verweert zich tegen de verwijten met de onthulling dat hij onder de dekmantel van zijn officiŽle werk voor het verzet heeft gewerkt en andere tekenaars wist te beschermen. In werkelijkheid raakt Toonder pas in 1944 bij het verzet betrokken. Hij vervalst documenten en maakt spotprenten voor het ondergrondse blad Metro. Later ontvangt hij hiervoor een Verzetsherdenkingskruis. Na de oorlog heeft Toonder veel succes met zijn strips en animatiefilms. Tom Poes en zijn vriend Olivier Bommel zetten hun avonturen voor en worden in dagbladen in een groot aantal landen gepubliceerd, waaronder de NRC. In 1955 verhuist Toonder naar Laren en in 1965 emigreert hij naar Ierland, waar hij zich uitsluitend richt op de boeken over Tom Poes en Bommel. Vanaf 1967 worden de tekeningen kleiner en de teksten langer en is er sprake van literaire beeldverhalen. Bommel komt centraler te staan en de 44 boeken worden bekend als de Bommelsaga. In 1984 stopt Toonder met strips en wijdt zich aan zijn autobiografie. Na het overlijden van Phinny en zijn tweede vrouw Tera komt hij terug naar Nederland en woont vanaf 2001 tot zijn dood in 2005 in het Rosa Spierhuis in Laren.
Toonder heeft de Nederlandse taal verrijkt met een groot aantal neologismen:bovenbaas, denkraam, grootgrutter, minkukel, onderknuppel, en zielknijper. Nieuwe uitdrukkingen zijn onder andere: kommer en kwel,  als je begrijpt wat ik bedoel, een eenvoudige doch voedzame maaltijd en verzin een list! .
In 2002 verrees in Rotterdam een beeld als Ode aan Marten Toonder. Het staat naast station Blaak en de Markthal. Het werd ontworpen door de kunstenaarsgroep de Artoonisten.
 
Abraham Tuschinski (1866-1942)

Bioscoopexploitant. Tuschinski werd in 1866 in een dorpje in de buurt van Lodz in Polen geboren als zoon van een arme joodse textielverkoper. Abraham werd zelf tot kleermaker opgeleid. Hij trok eerst naar Lodz, waar hij opAbraham Tuschinski 17 jarige leeftd trouwde. Vervolgens ging hij in 1904 naar Rotterdam. Of Rotterdam zijn einddoel was of slechts een tussenstation op weg naar Amerika is niet zeker. Zijn reisgenoten hadden familie in Rotterdam en hij ging er rechtstreeks heen. Van emigratie naar Amerika kwam in ieder geval niets en hij bleef in de stad "hangen". Hij vond werk als kleermaker bij een landgenoot en kon enige tijd later een eigen zaak beginnen. Hij liet zijn vrouw uit Polen overkomen. Samen met haar start hij een pension voor Poolse landverhuizers in de Nadorststraat, hotel Polski. In 1911 ziet hij kansen in een nieuw verschijnlsel: de bioscoop. In 1909 zijn de eerste bioscopen in Rotterdam geopend. Tuschinsky huurt een oud kerkje aan de Coolvest en begint met filmvertoningen. De kerk moet wijken voor nieuwbouw van het stadhuis en hij verhuist naar een pand aan de Hoogstraat (waar nu V&D staat), dat hij met gevoel voor glamour (rood pluche, spiegels, hoogpolig tapijt) naar eigen inzicht inricht. Hij noemt het theater Thalia. Er volgen de de jaren daar na nog drie bioscopen in Rotterdam In 1918 koopt Tuschinski in Amsterdam grond aan de Reguliersbreestraat. Na veel tegenslagen gaat daar in 1921 het grote Tuschinski theater open, het grootste en meest luxueuse filmtheater van het land. In die tijd verkrijgt hij ook de Nederlandse nationaliteit. In 1923 bouwt hij in Rotterdam aan het Pompenburg een tegenhanger van het Amsterdamse theater: het Grand Theatre met 1600 zitplaatsen. Tuschinski toont zich een goed werkgever en introduceert een vrije dag per week en een week betaalde vakantie per jaar. De zaken gaan zo goed dat hij ook met zijn zwagers en medefirmanten Ehrlich en Gershtanowitz een theater in Den Haag opent. Daarna gaat het bergafwaarts. Zijn huwelijk staat onder druk omdat hij een relatie begint met de ex-vrouw van zijn zwager Hermann Erhlich. Zijn enig overlevende zoon Will - twee jongere kinderen overlijden als peuter - krijgt keelkanker en overlijdt op 33-jarige leeftijd. Het gaat pas echt fout als op 14 mei 1940 zijn vier Rotterdamse theaters en zijn woning worden verwoest in het Duitse bombardement op de stad. Zijn Amsterdamse en Haagse theaters worden door de Duitse bezetter onteigend en veranderen van naam. Noodgedwongen trekt hij met zijn vrouw in bij zijn minnares Jet aan de Rochussenstraat in Rotterdam. Hij probeert nog te vluchten om deportatie naar een concentratiekamp te voorkomen, maar hij wordt opgelicht. Op 1 juli 1942 wordt hij gearresteerd. Waarschijnlijk is zijn verblijfplaats verraden. Via Westerbork belandt hij op 17 september in Auschwitz, waar hij bij aankomst meteen wordt vergast.

Johan van der Veeken (1549 - 1616)

Reder en koopman. Johan van der Veeken werd in Mechelen geboren als zoon van een welvarende haringkoopman. Zelf bouwde hij in Mechelen verschillende handelsondernemingen op die internationaal actief waren. Na het begin van de reformatie en de beeldenstorm in 1566 en de tachtigjarige oorlog in 1568 werd de situatie in Mechelen instabiel. De stad werd wisselend door aanhangers van Willem van Oranje en de Spanjaarden veroverd. Van der Veeken bleef katholiek en dat was een beperking geworden toen Mechelen in 1580 onder een streng Calvinistisch bewind kwam. Via zijn handelscontacten en zijn protestante broer Hendrik, die al eerder naar het Noorden was uitgeweken koos hij in 1583 Rotterdam als vestigingsplaats. De stad was welliswaar protestant, maar maakte geen werk van vervolging van katholieken. Bovendien stond Rotterdam open voor ondernemende migranten, die konden bijdragen aan de groei van de stad tot een belangrijke(r) Hollandse handelsstad. Van der Veeken heeft ook in Rotterdam succes als reder en koopman. Hij handelt in Europa in stoffen, wijn en gedroogd fruit. Daarnaast richt hij zijn blik op handel met Afrika, Amerika en het verre Oosten. Riskant vanwege de vijandige Spaanse en Portugese schepen die de verre kusten beheersen. Hij organiseert in 1598 met compagnon Pieter van de Hagen een expeditie onder leiding van Mahu om een route naar Oost-IndiŽ via de straat van Magelhaes te verkennen. De expeditie mislukt: het laaste overgebleven schip strand in Japan. Het is evenwel het begin van een langdurige handelsrelatie met dat land. De expeditie  van Olivier van Noort kort daarna slaagt wel.
In 1598 wordt in Rottedam de eerste handelsbeurs in de Noordelijke Nederlanden opgericht. Van der Veeken is bij de oprichting ervan betrokken. Van der Veeken is in 1602 ook ťťn van de oprichters en bewindvoerders van de Rotterdamse kamer van het VOC. Hij blijft in die functie tot zijn dood in 1616.
In 1612 kocht hij de ambachtsheerlijkheden van Capelle en Nieuwerkerk aan den IJssel. Hij liet bij Capelle het vervallen 16e eeuwse kasteel opknappen en uitbreiden. In het slot richtte hij een katholieke kapel in. Het slot is in 1798 na een langdurig verval afgebroken.
 
Adriaen van der Werff (1659-1722)

Kunstschilder. Van der Werff werd geboren in Kralingen als molenaarszoon. Op 12-jarige Adriaen van der Werff - zelfportretleeftijd trad hij als leerling in dienst bij de Rotterdamse schilder Eglon Hendrik van der Neer (1636-1703). Hij blijft vijf en half jaar bij Van der Neer en bekwaamt zich aanvankelijk in het schilderen van textiel. In 1676 werd hij zelfstandig kunstschilder. In 1691 werd hij hoofd van het Lucasgilde in Rotterdam, het gilde van de kunstschilders. In 1696 kreeg hij bezoek van de Duitse keurvorst Johan Wilhelm von der Pfalz, die vergezeld werd door zijn echtgenote Anna Maria Luisa d'Medici, dochter van Cosimo III van Toscane. De keurvorst was naar Rotterdam gekomen om Van der Werff's leermeester Van der Neer te bezoeken. Van der Werff kreeg een opdracht voor een portret van de keurvorst en een Salomonsoordeel, beide bedoeld als geschenk voor Cosimo III. Van der Neer werd uitgenodigd om hofschilder te worden in DŁsseldorf. In de jaren erop reisde Van der Werff regelmatig op en neer naar DŁsseldorf en kreeg in 1703 een vast salaris als opvolger van de inmiddels overleden Van der Neer. Van der Werff schilderde vele Europese hoogwaardiSarah presenteert Hagar aan Abraham - Staatsgallerie Schleisheimgheidsbekleders zoals John Churchill, de hertog van Marlbourough (1704) en Gian Castone de Medici, groothertog van Toscane (1705). Van der Werff kreeg zeer goed betaald, met name voor zijn bijbelse voorstellingen, die hij met een perfecte techniek maakte. Hij maakte ook veel genrestukken. Hij combineerde een gedetailleerde toets van de Leidse school met klassieke traditie van de Franse school. In zijn tijd werd hij o.a. door de kunstschrijver Houbraken als een van de beste schilders beschouwd en in ťťn adem genoemd met grote schilders als Rembrandt en Hals. Onder zijn afnemers telde hij naast de genoemde keurvorst uit DŁsseldorf ook Frederik de Grote van Pruisen, Anton Ulrich van Brandenburg. Nog in de 19e eeuw was Van der Werff een bekend en bewonderd schilder. Tegenwoordig is zijn roem wat verbleekt en wordt hij beschouwd als een zeer vaardige meester, die nogal in herhaling vervalt. Van der Werff was ook actief als architect. In Rotterdam ontwierp hij enkele koopmanshuizen aan het Haringvliet, het voormalig kantoor van de Rotterdamsche Bank aan de Boompjes en de Koopmansbeurs uit 1722. Al deze gebouwen zijn in 1940 in het bombardement verloren gegaan. Werken van Van der Werff zijn te zien in het Rijksmuseum, de Alte Pinakothek in MŁnchen, de Uffizi in Florence, Museum Boijmans van Beuningen en het Louvre.
 
Faas Wilkes (1923-2006)

Profvoetballer. Faas Wilkes werd geboren in het Oude Noorden, waar hij opgroeide aan de Soetendaalseweg. Voetballen deed hij aanvankelijk met jongens uit de buurt op een opgespoten landje aan de Heer Vrankenstraat, waar later in 1949 een Lutherse kerk werd gebouwd. Ook toen al was hij een echte pingelaar, die de bal alleen afspeelde om een doelpunt te maken. Faas WilkesWilkes was voorbestemd om met zijn broer het verhuisbedrijf van zijn vader voort te zetten. Zijn eerste club was de HION in Crooswjk, waar hij als jeugdspeler vanaf 1935 speelde. Vanaf 1941 speelde hij als 17-jarige in het eerste elftal van Xerxes, dat toen in de hoogste afdeling speelde van de KNVB. Vanaf 1936 wordt Wilkes voor het Nederlands elftal geselecteerd. In 1948 speelt hij met een Europese selectie tegen een Engelse selectie. Daar hoort Wilkes, die in Nederland alleen de  amateur competitie van de KNVB kent hoeveel zijn Italiaanse, Franse en Spaanse teamgenoten verdienen. Hij verkent de mogelijkheden om in Engeland een profcontract te krijgen, wat bijna lukt bij Charlton Athletic. In Nederland  - waar het amateurschap als ideaal geldt - werd er schande van gesproken. Een jaar later weet Internazzioale uit Milaan Wilkes te strikken. Hij gaat bij Milaan 60.000 gulden per seizoen verdienen, exclusief premies. Voor die tijd was dat een enorm bedrag. Hoewel Beb Bakhuys al in 1937 tegen betaling was gaan spelen voor het Franse FC Metz, stond diens salaris van 600 in de maand en 20.000 handgeld in geen verhouding tot wat Wilkes ten deel viel. Wilkes is daarom de eerste grote voetbaltransfer in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Wilkes werd prompt door de KNVB voor vijf jaar geschorst voor het Nederlands elftal. Bij Inter scoorde Wilkes aan de lopende band (47 goals in 95 wedstrijden) en was in korte tijd zeer populair en krijgt de bijnaam 'Il Tulipano' (de Tulp). Na drie jaar verhuist hij Torino. Door een blessure beleeft hij daar een weinig succesvol jaar. Hij speelt maar 12 keer en scoort slechts ťťn doelpunt. Vandaar gaat het naar Valencia, waar hij drie seizoenen zeer succesvol speelt.
Na Valencia keert hij terug naar Nederland, waar inmiddels een officiŽle profcompetitie is Faas Wilkesbegonnen (Eredivisie). Hij krijgt een contract bij VVV in Venlo. Hij kon echter niet aarden in de Nederlandse competititie, die in vergelijking met ItaliŽ en Spanje nog niet erg professioneel was. Hij vertrok naar Levante de andere club van Valencia. Na een jaar bij Levante keerde hij definitief terug in Nederland, waar hij twee seizoenen bij Fortuna '54 in Sittard speelde, waarna hij zijn voetbalcariŤre bij zijn oude liefde Xerxes op 40 jarige leeftijd beŽindigde. Wilkes heeft nooit voor Feijenoord gespeeld, de grote club van Rotterdam. Dat had hij best gewild, gaf hij later toe, maar Feijenoord wilde niet aan zijn financiŽle voorwaarden voldoen.
Wilkes speelde 38 maal in het Nederlands elftal met een onderbreking van zeven jaar (1949-1956) wegens een schorsing. In die wedstrijden scoorde hij 35 maal. Dit was een record dat maar liefst 37 jaar standhield toen Dennis Bergkamp in 1998 het overnam. Deze is daarna door Patrick Kluivert voorbijgestreefd (38 goals). Inmiddels is het record in handen van een andere Rotterdammer, Robin van Persie. Johan Cruijff noemde Wilkes, de tweebenige, behendige, sierlijke en veel scorende aanvaller als zijn grote voorbeeld. Daarom nodigde hij hem ook uit voor zijn jubileumwedstrijd in 1999 en speelde de 76-jarige Wilkes enige seconden voor het "Oranje van de Eeuw".
Na zijn voetballloopbaan dreef Wilkes vanaf 1962 met zijn vrouw jarenlang een modezaak aan de Lijnbaan, Monisima genaamd. Wilkes overleed in 2006 op 82-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

 

 

Terug