100 jaar architectuur in Rotterdam

1920: Stadhuis

H. Evers

Sinds 1880 maakte Rotterdam een belangrijke economische, ruimtelijke en demografische ontwikkeling door. Van een slaperige Hollandse handelsstad werd Rotterdam door de industrialisatie van Duitsland en met name het Ruhrgebiet een belangrijke transitohaven van Europees en later ook mondiaal belang. De stad groeide snel buiten zijn oorspronkelijke stadsmuren en de bevolking groeide van 90 duizend tot ruim 200.000 rond de eeuwwisseling. Het raadhuis aan de Kaasmarkt (nabij de Hoogstraat) werd als te klein ervaren en had ook te weinig allure, passend bij het vooruitgangsgeloof dat Rotterdam en Nederland in de greep had. Het gemeentebestuur onder leiding van de liberaal Zimmermann had in 1905 het plan opgevat om Rotterdam een mondaine boulevard te geven. Daarbij had men beelden als in Parijs en Brussel voor ogen. De Coolsingel, tot 1850 de westelijke stadsvest leende zich daar het meest voor. De Coolsingel werd gedempt. Aan die Coolsingel moesten een aantal belangrijke gebouwen verrijzen: het nieuwe stadhuis, het hoofdpostkantoor, de nieuwe koopmansbeurs, het Coolsingelziekenhuis en bankgebouwen. Voor de bouw van het stadhuis, postkantoor en beurs moest een volksbuurt gesloopt worden, die bekend stond als het "Poldertje" of Zandtraatbuurt. Het was een levendige, maar arme buurt met veel kroegen en bordelen. Er woonden 2400 mensen. Met de sloop ervan bereikte het gemeentebestuur een nog een doel: het wegsnijden van een ordeloze en zedeloze buurt uit het stadscentrum.

In 1910 kreeg Henri Evers, docent aan de Academie voor Bouwkunst in Rotterdam en de TH in Delft de opdracht voor een  voorstudie. Op basis van de voorstudie van Evers, een goede bekende van burgemeester Zimmermann, schreef de gemeente in 1912 een prijsvraag uit. Daarvoor werden meest vooraanstaande architecten van die tijd uitgenodigd. Naast Evers zelf, waren dat: K.P.C. de Bazel, W. Kromhout, J. Stuyt, C.B. van der Tak, Otten en Overeynder en M. Brinkman. Berlage,  de toparchitect in die tijd, werd niet uitgenodigd, naar verluidt omdat zijn linkse opvattingen, burgemeester Zimmermann niet aanstonden. De prijsvraag verliep op basis van strakke protocollen ontleend aan de École des Beaux-Arts. Dit is een architectuuropvatting, die begin 19e eeuw in Nederland post vatte, waarbij de architect niet als ambachtsman, maar als kunstenaar of theoreticus ziet. De stijl was aanvankelijk classicistisch, maar putte al snel uit diverse stijlen uit de geschiedenis. De regels van de prijsvraag dicteerden nauwkeurig hoe ontworpen moest worden en hoe het ontwerp moet worden gepresenteerd. Op basis van het schetsontwerp van Evers moesten de deelnemers een ontwerp indienen, waarbij situatieplan, plattegronden van alle verdiepingen, voorgevel en overige gevels en doorsneden waren uitgewerkt. In kleur moest de architect een detailtekening van de voorgevel, van de feestzaal en het hoofdtrappenhuis inzenden. De ingezonden ontwerpen waren zeer eclectisch door een versmelting van klassieke, oosterse en gotische stijlen en Art Nouveau. De jury erkende de esthetische kwaliteiten van het ontwerp van De Bazel maar vond het te duur. Daarom stelde ze voor om óf tussen de ontwerpen van Evers en Stuyt te kiezen óf om hen beiden een tweede verbeterd schetsplan te laten maken. Zimmerman, die voorzitter was van de jury, gaf zijn eigen persoonlijke draai aan het juryrapport. Hij wist het zo te herschrijven dat het voorstel van Burgemeester en Wethouders aan de gemeenteraad alleen de aanbeveling bevatte het ontwerp van Evers uit te voeren. Op 5 juni 1913 stemde de Rotterdamse gemeenteraad voor uitvoering van diens ontwerp. De gang van zaken leidde tot veel commotie. Beschuldigingen van vriendjespolitiek, doelend op de vriendschappelijke relatie tussen Evers en Zimmermann, waren niet van de lucht. Zowel de procedure (ondemocratisch) en het resultaat (ouderwets) waren mikpunt van kritiek.

In 1914 werd begonnen met de bouw van het stadhuis, dat in 1920 werd voltooid. Het ontwerp van Evers oogt aan de buitenkant sterk renaissancistisch, maar laat binnen daarentegen ook elementen uit byzantijnse en romaanse architectuur zien. Het symmetrische gebouw bestaat uit vier vleugels van vier lagen rond een openbare binnentuin. Bovenop de centrale hal steekt een dominante toren uit, voorzien van klok en carillon en bekroond met een vredesengel van beeldhouwer Keller. Het carillon - geschenk van rederij Van Ommeren - is in de oorlog door de Duitse bezetters weggevoerd en in 1948 vervangen. De belangrijkere en representatieve ruimtes, zoals de raadzaal, burgerzaal, en de kamer van de burgermeester liggen aan de voorzijde van het stadhuis aan de Coolsingel. In het achterste deel, dat door een binnentuin en een doorrit van het voorgedeelte gescheiden is, liggen de kantoren voor de administratie en het bureau burgerzaken. Het interieur bevat een imponerend decoratief programma dat bestaat uit glas-in-lood, beeldhouwkunst, tegeltableaus en schilderingen, die de bezoeker moeten doordringen van de grandeur en waardigheid van het stadhuis en de stad Rotterdam. De realistische wandschilderingen van havenarbeiders van Marius Richters in de Raadzaal vielen bij het stadsbestuur aanvankelijk niet in de smaak. De wanden werden behangen en pas in 1947 weer onthuld. Ook de allegorische wandschilderingen van Thorn Prikker in de burgerzaal uit 1928 vielen aanvankelijk niet in de smaak. Een deel werd opgeslagen en pas na de oorlog weer aangebracht. Bij de hoofdingang staat een borstbeeld van architect Henri Evers.

Het gebouw is gebaseerd op een constructie van gewapend beton, waarover een façade is opgetrokken van zandsteen en leien kappen. Boven de entree bevindt zich een trapgevel, die verwijst naar de Hollandse gouden eeuw. Zowel in het exterieur als in het interieur van het raadhuis is een grote hoeveelheid beeldhouwkunst verwerkt, met als doel de historie en grootsheid van de wereldhavenstad Rotterdam uit te drukken. Evers gaf in zijn ontwerpen aan, waar de beelden geplaatst moesten worden en beeldhouwers als T. Dupuis, S. Miedema, A. Odé, A. Leeflang en J. Keller maakten de ontwerpen ervoor. In het raadhuis zijn zowel historische figuren als Desiderius Erasmus en Johan van Oldenbarneveld afgebeeld, als personificaties van Ondernemingsgeest, Beleid, Betrouwbaarheid en Volharding (de overheidsdeugden van Odé boven het balkon) en typen als de Scheepstimmerman, de Zeilmaker en de Stoomwerker. De figuren zijn uitgevoerd in historische kostuums en met symbolische attributen. Daarmee passen ze in de traditie van het academisch-realisme, zoals dat aan de academies van beeldende kunsten werd onderwezen. In de trapgevel zijn de Stedemaagd en het gemeentewapen te zien, als ook de gemeentewapens van de gemeenten die in de loop der tijd door Rotterdam zijn geannexeerd. 


Ook opgeleverd in 1920:

Blok VIII & IX, Spangen J. Oud

 

Andere projecten van H. Evers:

In Rotterdam:

Remonstrantse Kerk  Rotterdam 1897

100 jaar Architectuur- overzicht

terug

 

verder